BEKER EN GLAS
_____________
|
|
Wil men drinken, dan is een hol voorwerp nodig om het vocht naar de mond te brengen. Het eenvoudigste is wel het gebruik van een halve kokosnoot en kalebas. In de streken, waar deze niet voorkomen, ligt het gebruik van een houten nap voor de hand. Als bedelaarsnap heeft ze lang stand gehouden en is tegen het einde van haar loopbaan opgeklommen tot de zilveren geuzennap als kenteken gebruikt door het verbond der edelen in het voorspel van de 80-jarige oorlog. Naast deze houten nap kwamen er al spoedig voorwerpen van verschillend materiaal,
bedoeld om uit te drinken; de drinkhoorn, voorwerpen van steen, vaatwerk van hout, gebakken aardewerk, glas en edelmetaal. Al naar de vorm onderscheidt men schalen, bakjes, bekers, kroezen, pullen, kommen, bokalen en drinkhoorns. Al het glazen drinkvaatwerk wordt samengebracht onder de naam glas. Een aparte groep drinkvaatwerk vormen schuitjes en kannetjes bestemd om zieken gemakkelijk te laten drinken. Ook is er uit leren bekers en zakken gedronken. Van oudsher is er bij het drinken veel luxe geweest. Men ziet dit al in oude tijden waar de opperschenker een belangrijk hofdignitaris is. Egypte kent reeds goden en albasten drinkbekers. Homerus beschrijft een gouden drinkbeker met duiven op de oren. Griekse artiesten maakten prachtig versierde drinkschalen van aardewerk.
De Romein kende naast elkaar uit klei gebakken en zilveren vaatwerk om uit te drinken.
Dat dit ook ten noorden van de Alpen werd gebruikt, bewijzen vondsten in Engeland en Duitsland, o.a. de schatvondst bij Mildenhall, welke schat prachtige zilveren drinkschalen bevatte. Uit de barbaarse tijd van de volksverhuizing kennen wij uit het grafschip van Sutton Hoo de drinkbekers van één van de laatste heidense koningen van West-Anglia. In de Frankische tijd kende men fraaie glazen drinkbekers, die in Rijnland of België moeten zijn gemaakt. Merkwaardig is dat aan deze glazen, die toch een vrij grote inhoud hebben, een voet ontbreekt. Ze moeten dus in één keer geledigd zijn. Verder zijn er enkele vondsten van drinkhoornen van glas uit die tijd; wel een bewijs, dat de hoorn toen een regelmatig gebruik drinkgerei was.
Drinken nam en neemt een voorname plaats in bij allerlei
plechtige feestelijkheden. Nog steeds drinkt men elkaar toe of drinkt men op het welzijn van het staatshoofd. Bij bepaalde gelegenheden is het nog de gewoonte dat leden van één bestuur of genootschap uit één schaal drinken. Bij een dergelijk gebruik speelt de traditie een grote rol; vandaar dat ook het drinkgerei, dat er bij gebruikt wordt, conservatieve vormen vertoont. Men ziet dit aan de prachtig met zilver gemonteerde drinkhoornen van onze 17de eeuwse gilden en schutters, nu in onze musea bewaard. Op dat tijdstip was de drinkhoorn zeker geen algemeen gebruikt voorwerp meer. Hetzelfde geldt voor het vaatwerk voor sacraal gebruik, zoals de miskelk en de avondmaalbeker, die in de loop van de tijd een eigen ontwikkeling doormaakten. Een geheel aparte plaats nemen de laatgotische en renaissance pronkdrinkschalen in, gemaakt voor hertogen, koninginnen en keizers. Veelal wordt er bergkristal of halfedelsteen voor gebruikt. Een enkele keer ook rhinoceroshoorn. Men meende namelijk, dat bekers uit bergkristal, agaat of rhinoceroshoorn de gebruiker door een verkleuring van de inhoud zouden waarschuwen, indien deze inhoud vergiftigd was. In vergelijking met deze luxe was het drinkgerei van de normale bevolking in de late middeleeuwen uiterst sober: een enkel glazen bekertje of tinnen kroes naast aardewerk. Vaak moet uit één glas door
verschillende personen gedronken zijn. De middeleeuwer vond het gewoon om gemeenschappelijk uit één glas te drinken. Pas in de renaissance kwam de behoefte aan eigen vaatwerk op. Houten bekers door een kuiper gemaakt, waarschijnlijk vooral voor bier in gebruik, ziet men nog herhaaldelijk op 17de eeuwse schilderijen. Deze houten bekers hebben waarschijnlijk als voorbeeld gediend voor de naar boven conisch toelopende aardewerken pul (in het Duits Schnellen), die in de late middeleeuwen veel werd gebruikt. Veelvuldig ziet men op oude schilderijen de aardewerken drinkgerei, bakjes, pullen en kannen. Ze zullen veelal door de lokale pottenbakkers zijn gemaakt. Het Jacobakannetje, een vorm die men in de Nederlanden bijna overal aantreft, is er een voorbeeld van. Beter harder gebakken vaatwerk werd al in de middeleeuwen uit het Rijnland geïmporteerd. In Nederland zijn pottenbakkersovens, waarin reeds bij hogere temperaturen in de middeleeuwen harder aardewerk werd gebakken, bij Brunssum
blootgelegd. Eerst is de drinkkan betrekkelijk hoog en is de buik niet erg uitgesproken. Later ontwikkelt zich naast een pulvormig een kruikvormig model. Veel middeleeuws aardewerk is bij funderingswerkzaamheden in onze steden gevonden. Merkwaardig genoeg is daarnaast Rijnlands ook Engels werk bij. In het Rijnland komt in de 15e eeuw de aardewerkingsindustrie tot bloei; men is dan in staat bij hoge temperatuur een zeer hard steengoed te bakken, dat met zoutglazuur werd bedekt.
Het betekent technisch een grote verbetering op het inlands aardewerk. De laatste uitloper van dit Rijnlandse steengoed is onze hedendaagse Keulse pot. Een vroeg centrum is dat van Frechen bij Keulen, iets later komen Raeren bij Aken, en Siegburg. De kleur van het aardewerk is over het algemeen grauw, dat van Raeren is met een bruin zoutglazuur bedekt. De versiering werd in de natte klei ingedrukt met houten, later stenen matrijzen. De voorstellingen op de pullen en kannen zijn vaak aan renaissanceprenten ontleend. Raeren exporteert reeds vroeg naar de Nederlanden en ook naar Engeland. Het steengoed van Siegburg munt uit door een fraaie witte kleur. Bekend zijn vooral de hoge conisch toelopende pullen. Raeren en Siegburg worden in de 30-jarige oorlog verwoest; in het Westerwald wordt dan de produktie voortgezet. Men gaat nu kleur toepassen, misschien in concurrentie met het Chinese porselein. De kleren zijn paars en blauw. Daar de kleur een neiging heeft om uit te lopen, snijdt men groeven in de natte klei om de kleuren binnen de perken te houden. Het gebruik van matrijzen raakt dan op de achtergrond. In de 18e eeuw worden de vormen ronder en barok. De hogere lagen der bevolking gebruiken dan meer Chinees of Europees porselein, eventueel metalen en glazen drinkgerei. China maakte in porselein de bierpul op bestelling nu echter met Chinees decor. De bevolking blijft echter ook in ons land, het Keulse aardewerk lang trouw. De versieringskunst loopt echter geleidelijk uit in volkskunst, maar is daarom niet
minder interessant.
|
|
Na de volksverhuizing wordt op het gebied van het drinkglas weinig meer ondernomen. Men krijgt de indruk, dat de artistieke belangstelling voor het glas zich ten noorden van de Alpen geheel concentreert op het glas en lood voor de grote kathedralen.
Geleidelijk aan wordt de vormenrijkdom van het drinkglas weer iets groter. Uit de late middeleeuwen kent men drie vormen: een klein glazen drinkschaaltje (Maigelein), voorts een mooi groen glas, dat de vorm heeft van een korte cilinder met een vrij uitgesproken schaalvormige mondrand. Het cilindervormige deel is bedekt met dikke glasnobben; misschien zijn deze aangebracht om het vasthouden te vergemakkelijken. Naar zijn eigenaardig uiterlijk noemt men dit glas een koolstronkglas.
Tenslotte is er nog een eenvoudige beker, waarvan men het reliëf
verkreeg door hem in een vorm te blazen, het zgn. optische glas. Uit het groene koolstronkglas ontwikkelt zich de Berkemeyer, waarbij de schaalvormige mondrand groter wordt.
Dit proces gaat verder voort, waardoor de roemer,
"de doorloper", uit de 17e eeuw ontstaat, waarbij het cilinder-
vormiger deel is geatrofieerd, doch de oorspronkelijke
mondrand, nu vol ontwikkeld, het eigenlijke glas gaat vormen. Het bekervormige glas krijgt de neiging zeer hoog te worden. In Duitsland wordt het Humpen genoemd. Het glas is vaak van slechte kwaliteit en is met emaillen versierd. De Humpen en de roemer blijven de gehele 17e eeuw in zwang. Pas later komt men er toe series gelijke glazen te maken. Men moet niet vergeten, dat nog in de 18e eeuw de gast een keuze kon doen uit de wijn die hij wilde drinken, zodat op de gedekte tafel naast het bord geen glazen stonden. Deze stonden op het buffet of in de tapkast. Het gevulde glas werd hem dan aangeboden. Een dergelijke gewoonte werkt niet in de hand om grote series gelijke glazen te bezitten.
Bloeiender dan in West-Europa was in de middeleeuwen de
Venitiaanse glasindustrie. Hier werd waarschijnlijk als gevolg van contact met Syrië een fraaie kwaliteit dan kleurloos glas geblazen. Men maakte vooral drinkglazen met voet, steel en kelk, de zogenaamde bokaal. De steel versierde men soms door haar ingewikkeld te slingeren en haar vleugelvormige aanzetstukken te geven. Gaarne gebruikt men voor de steel las, waarin witte of geel gekleurde glasdraden zijn gesmolten. Als aan het einde van de 16e eeuw Venetiaanse glasblazerijen opzetten, wordt overal het Italiaanse voorbeeld gevolgd. Heel zuiver blijkt de Italiaanse stijl echter gewoonlijk niet. Lokale invloeden laten zich spoedig gelden. Ook ons land kende in de 17e eeuw een bloeiende glasindustrie, die lang de Italiaanse voorbeelden is blijven volgen. In de tweede helft van de 17e eeuw moet ze het echter afleggen tegen de concurrentie van het Engelse en
Boheemse glas. Wel blijft men in Holland lang in hoofdzaak Engels glas met behulp van diamantgravering of slijpwiel verfraaien. In de 18e eeuw werken in Nederland vele bekende glasslijpers. Merkwaardig genoeg zijn er onder hen vrij veel leden van Duitse glasbewerkersfamilies, die hier in ons land Engelse glazen verfraaiden Internationaler kan het niet.
Ook dilettanten, o.a. de dochters van Roemer Visser, beoefenden de kunst van het met diamant graveren op glas.
Duitsland, vooral Silezië en Bohemen, kennen in het laatst van de 17e eeuw en de 18e eeuw een bloeiende glasindustrie.
De geslepen glazen, vaak grote bokalen, zijn ware pronkstukken. Veelal worden de dikwandige glazen in hoog reliëf uitgeslepen,
kennelijk om het kostbare bergkristal na te bootsen. Voor het eenvoudiger glaswerk wordt de versiering in de glaswand ingeslepen. Het emailleren raakt op de achtergrond. Daarentegen past men aan het einde van de 17e eeuw graag verguldsel toe, wat werd aangebracht tussen twee lagen van het glas in. Men maakte dus een binnen en een buiten glas, die precies moesten passen en kitte deze aaneen. Het zijn technische kunststukjes. Ook aan de buitenkant vergulde glazen komen nogal eens voor.
Indien men het gehele glas in facetten slijpt, zal het vooral goed schitteren als het een hoge brekingsindex heeft. Iets dergelijks kan men bereiken door loodzouten aan de glasmassa toe te voegen. Na slijpen krijgt men dan het schitterende kristal.
Het maken van namaak bergkristal door loodzouten aan de glasmassa toe te voegen werd door Ravenscroft in 1674 in Engeland gepatenteerd.
|
|
Behalve in Engeland is vooral in Bohemen en later ook bij Luik in
België kristal gemaakt. Engelse drinkglazen zijn in grote aantallen in de 18e eeuw naar Nederland geëxporteerd. In de loop van de 18e eeuw verandert de vorm van het glas en vooral van de steel voortdurend. Deze veranderingen maken een vrij nauwkeurige datering van het glas mogelijk. Veel van dit Engelse glas werd later in Holland met slijpwerk versierd. Vaak bevat de steel een luchtbel, soms is deze luchtbel kunstig in de steel gedraaid.
Een tijd lang zijn vierkante stelen in de mode, die bijna de indruk maken gesmeed te zijn. Naast de versiering van de steel met luchtspiralen, komen er in de steel vaak spiralen van gekleurd of wit glas voor. Soms zijn er zeer kunstig verschillende spiralen door elkaar aangebracht. In het derde kwart van de 18e eeuw gaat men de steel in facetten slijpen op een wijze, dat het glas stevig in de hand ligt, iets dat bij het ruime alcoholgebruik zijn voordelen had. Aan het einde van de 18e eeuw loopt deze ontwikkeling van het Engelse drinkglas min of meer dood. Bohemen, dat in de 18e eeuw vooral bokalen maakte, heeft ook in de Biedemayertijd een zeer bloeiende glasindustrie; de beker is dan de hoofdvorm van het drinkglas. Vaak brengt men over een kern van helder glas lagen gekleurd glas aan, die men door slijpen gedeeltelijk weer verwijdert. Hierdoor ontstaat een bijzonder aardig effect. Ook wordt er veel op glas geschilderd. Bekende glasschilders zijn Kothgasser en Möhn. Hun producten worden vooral in Oostenrijk en Duitsland op hoge prijs gesteld. Eenvoudiger zijn de glazen drinkbekers, waarop in medaillons plaatjes met gezichten van bepaalde badplaatsen zijn ingeslepen Ze werden door trouwe bezoekers van badplaatsen in de 19e eeuw mee naar huis genomen. Ook in Nederland komt men ze vrij vaak tegen. Ze zijn een laatste uitloper van een edel handwerk; vandaar naar de glazen snuisterijen in de souvenirzaakjes in de hedendaagse vreemdelingencentra is maar een stap.