DE INVLOED VAN HET VOEDSEL OP DE PRIVATE
GANG DER GESCHIEDENIS
________________________________
De mens leeft niet om te eten, maar zonder voedsel kan hij niet lang bestaan. Hoe primitiever de vorm van menselijke
beschaving, des te groter plaats gaat het voedsel in het dagelijks leven innemen. De zorg voor " het dagelijks brood " heeft door de eeuwen heen op de meest directe wijze het denken van de mens beheerst en heeft veelal zijn handelen in vrijwel ieder opzicht bepaald. De loop van de geschiedenis is dan ook vaak een weerspiegeling van de pogingen van de mens om zijn voedselvoorziening veilig te stellen en indien enigszins mogelijk te verbeteren. De invloed van het voedsel op de menselijke cultuur heeft verschillende aspecten: in de eerste plaats zal een
direct gebrek aan voedsel of een gebrek aan bepaalde factoren uit dat voedsel, nutriënten, de gezondheidstoestand van een bevolking aantasten. Het is duidelijk dat dit niet alleen de lichamelijke toestand in gevaar brengt, maar ook zijn invloed zal hebben op al zijn andere uitingen. Zij, die de hongerwinter van '44 - '45 hebben meegemaakt, weten hoezeer honger de psyche beïnvloedt. Verder is er naast een acuut voedselgebrek een chronisch voedseltekort, waarbij over het algemeen het gebrek aan enkele factoren uit de voeding het beeld beheersen. Dit kan de toestand van een bevolking in sterke mate beïnvloeden, vooral indien dit chronisch gebrek tot stoornissen op verstandelijk en affect leven aanleiding geeft. Een typisch voorbeeld hiervan is de pellagra, een gebrek aan nicotinezuur, en in mindere mate een chronisch vit. B,gebrek (beri-beri). Bovendien zal een bevolking, die zeer eenzijdig wordt gevoed, vaak uitkomst zoeken in het gebruik van stimulerende genotmiddelen. Het grote koffie- en alcoholgebruik van de armste bevolkingsklassen in Nederland in de 19de eeuw zijn hiervan een voorbeeld. Vooral alcoholmisbruik van grote groepen zal op de cultuur zijn schadelijke invloed doen gelden. Ten slotte zal schaarste aan bepaalde voedings- en genotmiddelen de avontuurlijke leden van een groep aanzetten ze te bemachtigen door te gaan trekken naar gebieden, waar men hoopt dat de omstandig-
heden gunstiger liggen. Deze pogingen hebben de mens over vrijwel de hele aarde gedreven waardoor, reeds lang voor de Westerse techniek het reizen betrekkelijk veilig maakte, vrijwel ieder eilandje in de oneindige Stille Zuidzee door mensen was bewoond, terwijl de mens ook was doorgedrongen tot de meest onherbergzame delen van Groenland en de Noord-Canadese archipel. De Westerse techniek heeft de afstanden kleiner gemaakt, maar reeds lang daarvoor heeft de primitieve mens op zoek naar voedsel, zich over de gehele aarde verspreid.
In het volgende wordt op deze facetten wat verder ingegaan.
De primitieve mens, die als verzamelaar en jager leefde, moet behalve tijden van overvloed telkens perioden van honger hebben gekend. Het blijkt uit beschrijving over primitieve groepen en uit ervaring van ontdekkingsreizigers, dat de mens betrekkelijk goed tegen langdurige ondervoeding bestand is.
Het valt op, dat de man kwetsbaarder is ten opzichte van
voedselgebrek dan de vrouw.
Zolang een hongersnood niet met een epidemie gepaard gaat, zal de sterfte aan mannen aanzienlijk hoger liggen dan die aan vrouwen. In primitieve groepen, waarin hongersnood een regelmatig terugkerend gebeuren is, zal daardoor het aantal vrouwen groter dan dat van mannen zijn. Voor het voortbestaan van de groep is deze grotere weerstand van de vrouw gunstig. Van haar hangt in grote mate het voortbestaan van de groep af.
Primitieve gemeenschappen zijn zelden monogaam, hetgeen de invloed van het aantal mannen op het geboortecijfer betrekkelijk gering doet zijn. Wel verliest de groep door de hogere sterfte van mannen een aantal voedselproducten, maar primitieve volkeren laten ons zien, dat de vrouw in dit opzicht over het algemeen tenminste even efficiënt is als de man. Oud worden is daar bovendien zeldzaam; iemand van 35 jaar is in minder beschaafde gebieden reeds op gevorderde leeftijd. Het is duidelijk, dat deze korte gemiddelde levensduur ook invloed heeft op de hoogte van de cultuur. Het leven is zo kort dat men weinig kennis en wijsheid kan verzamelen en overdragen.
Naast een gebrek aan voedsel met voldoende calorische waarde bestaat de kans op partiële ondervoeding door een gebrek aan één of meer nutriënten. Over het algemeen zal het voedsel van de verzamelaar, dus van de mens in zijn meest primitieve stadium, in dit opzicht vrij volwaardig zijn. Vruchten, noten, wortels, weekdieren, vis en misschien wat wild vormen tezamen een goed uitgebalanceerd voedsel. Moeilijkheden gaan zich voordoen, indien een groep in de hoofdzaak van één voedselsoort afhankelijk wordt. Bepaalde primitieve bevolkingen hebben zich door een grote overvloed aan één bijzonder voedsel wat hun dieet betreft in hoge mate gespecialiseerd. Een voorbeeld hiervan zijn de verzamelaars van weekdieren en vissers. Zo bestonden er vissersbevolkingen, die vrijwel geheel van vis leefden. Bij hen hebben zich de eerste primitieve methoden om het voedsel door roken te conserveren ontwikkeld. Een typisch voorbeeld van een sterk gespecialiseerde bevolking, die uitsluitend van vis en de jacht leeft, zijn de Eskimo's. Voor hen zal de conservering van hun voedsel in het koude jaargetijde weinig zorgen geven. Maar hun voedsel is zo arm aan vit.C, dat een kleine verandering in de dieetgewoonten massa scorbuut veroorzaakt. De hoofdbronnen van vit.C voor de Eskimo zijn namelijk: wat bessen in de herfst, en half verteerde korstmossen uit de rendiermaag. Verder is hij aangewezen op de zeer kleine hoeveelheden vit.C, die rauw vis en vlees bevatten. Geringe modernisering in zijn voedsel, koken en het afschaffen van het eten van de inhoud van de rendiermaag hebben scorbuut-epidemieën veroorzaakt, die de Eskimo-bevolking hebben gedecimeerd. Ook het gevaar van een hypervitaminose doet zich bij dergelijke groepen voor. Alleen hypervitaminosen van de vetoplosbare vitaminen zijn bekend.
In dit opzicht zijn de noordelijke vissersbevolkingen weer bijzonder geëxponeerd, daar de levers van zeehonden, poolberen en verschillende vissen, zoals heilbot, zo rijk zijn aan vit. A en D, dat ze zeer toxisch zijn. De tochtgenoten van Heemskerk en Barends hebben dit op Nova Zembla ervaren, toen een aantal van hen ziek werd en enkelen overleden na het gebruik van ijsbeerlever. De autochtone bevolking echter kent de giftigheid van deze levers en vermijdt ze te eten. Toch moet in het bijzonder het vit.A gehalte van het Eskimodieet gevaarlijk hoog liggen. Geheel anders liggen de problemen voor de verzamelaar van plantaardig voedsel.
Vaak is dit plantaardig voedsel zo arm aan volwaardig eiwit, dat eiwitondervoeding gaat dreigen. De meest typische voorbeelden hiervan zijn de eiwitondervoedingen van bevolkingen, die in hoofdzaak van cassave, wortels, yams en bananen moeten leven, zoals b.v. de Papoca op Nieuw-Guinea.
De meeste landbouwgewassen, die de mens is gaan cultiveren, zijn betrekkelijk rijk aan eiwit: rijst 7,5%, tarwe 10%, gerst 10%, haver 13%, rogge 8%. Hier is het gevaar van eiwitondervoeding duidelijk geringer. Een slechte uitzondering maken de belangrijke voedingsgewassen, die door de Indianen in de Nieuwe Wereld zijn ontwikkeld, namelijk de maïs en de aardappel.
Maïs bevat weinig eiwit, 3%, terwijl maïseiwit bovendien nog arm is aan tryptophaan. De aardappel is betrekkelijk eiwitarm; de voedingswaarde van het aardappeleiwit is op zich zelf echter behoorlijk. Van de cassave, die slechts voor bepaalde groepen Afrikanen het voornaamste voedsel is, gaat het eiwit bij de bereidingswijze vrijwel geheel verloren. Opvallend is dat ten opzichte van een totale ondervoeding de man het kwetsbaarst is, de gevaren van een vit.C gebrek voor mannen, vrouwen en kinderen ongeveer van dezelfde grootte zijn en dat daarentegen het eiwitgebrek in de eerste plaats het kind, dan de vrouw en pas daarna de man treft. Primitieve bevolkingen zijn slecht in staat hun voedsel te conserveren. Zout staat hun zelden in voldoende hoeveelheid ter beschikking, roken geeft weinig bescherming, terwijl drogen van plantaardig voedsel vaak niet mogelijk is. Graan heeft het grote voordeel, dat het zich gemakkelijk geruime tijd laat bewaren. Deze eigenschap maakt het als voedingsmiddel voor betrekkelijk primitieve bevolking zo bijzonder waardevol. Bovendien laat graan zich betrekkelijk gemakkelijk vervoeren, waardoor een concentratie van een groter aantal mensen op een klein gebied mogelijk werd. Steden konden eerst na de ontwikkeling van de graanbouw ontstaan.
Jagers- en vissersvolken zijn evenals verzamelaars van voedsel gedwongen ver uiteen te leven. Slechts als de jachtbuit in een bepaald deel van het jaar overvloedig is, kunnen ze zich tot grotere groepen verzamelen. Dit is de tijd van uitgebreide stamceremoniën waarbij ook uitwisseling van kennis kan plaatsvinden. Het is duidelijk dat dit verspreid uiteenwonen met geringe mogelijkheid tot sociale contacten, de opbouw van een hogere cultuur en de technische ontwikkeling sterk zal belemmeren. Daarnaast heeft het een genetische invloed.
Het beperkt sterk de uitwisseling van genen en veroorzaakt duidelijk inteelt in kleine groepen. We zien dan ook, dat de geestelijke ontwikkeling zich pas versnelt en hogere beschavingen ontstaan daar, waar voor het eerst intensievere landbouw zich ontwikkelt, zoals in Mesopotamië, in de Indusvallei en iets later in Egypte.
De eerste tekenen van cultuur, die we van de mens kennen, zijn schilderingen in de rotsholen van Frankrijk en Spanje, waarop dieren die gejaagd werden, staan afgebeeld. Men neemt aan dat men op deze vrijwel ontoegankelijke plaatsen de dieren, waarop men jacht maakte, heeft afgebeeld om ze te betoveren; misschien ook wel om door deze betovering hun voortplanting waarvan bestaan van de jagers afhing, te bevorderen. Zeker is dat deze eerste culturele voortbrengselen van de mens direct met zijn voedselvoorziening te maken hadden. Later ligt het contact van voedsel en cultuur niet meer zo direct aan het oppervlak.
Toch is het ook in onze christelijke samenleving op vele
plaatsen nog duidelijk aanwezig. In de oudheid was de band, b.v. in de vorm van offers, die in de vorm van voedsel de goden werden gebracht, zeer duidelijk. Het eetgerei heeft van de aanvang af de belangstelling van de mens gehad. Reeds het oudste vaatwerk, dat van ongeveer 6000 v. Chr. dateert, is reeds versierd. Dit is tot vandaag zo gebleven, hoewel de kwaliteit van de versiering vele ups en downs heeft doorgemaakt. De bijzondere belangstelling is daarbij steeds uitgegaan naar de voorwerpen, die de mens gebruikte om genotmiddelen tot zich te nemen. Homerus beschrijft reeds de gouden bekers uit de
Trojaanse tijd, die later ook inderdaad door Schlimann zijn teruggevonden. De Romeinse oudheid kende kostbare drinkbekers van metaal, glas, agaat en bergkristal. De zilveren drinkbeker en drinkschaal blijven de gehele middeleeuwen door zeer
begerenswaardige voorwerpen. Pas langzaam aan verdringt het glad het metaal voor het voorwerp waaruit gedronken wordt.
Het gebruik van thee en koffie stimuleert sterk het gebruik van porselein en zonder de import van thee en koffie zou de kunst om porselein te maken in Europa veel later zijn ontdekt.
Men kan zich afvragen of de soft-drinks van deze tijd ooit aanleiding zullen geven tot een ontwikkeling van een nieuw soort vaatwerk. Plastic zal dan wel het materiaal worden.
Transport van voedingsmiddelen op wat grotere schaal over lange afstand was onder primitieve omstandigheden vrijwel onmogelijk. Boten hadden nog een te geringe omvang, terwijl de wagen zeker niet voor massaal transport geschikt was. Hoe zou men ook ver kunnen komen zonder de aanwezigheid van behoorlijke wegen? Het eerste transport zal dan ook mensen naar het voedsel gebracht hebben en niet andersom. Merkwaardig is overigens dat de primitieve mens in zijn gebrekkige schepen, waarmee hij toch lange afstanden aflegde, wel huisdieren, zaad en vruchten meenam om elders zijn bestaan mogelijk te maken. Hond, varken en kop zijn door de Polynesiërs op hun enorme tocht, door de Stille Zuidzee naar vrijwel alle eilanden meegenomen. Toch waren deze boten van te geringe omvang om grote hoeveelheden voedsel te vervoeren. De trek van dieren heeft gemaakt, dat ook de mens jaarlijks over grote afstanden zijn kudden volgend is gaan zwerven. De nomade heeft zich aangepast aan de trekneigingen van de dieren waarvan hij enigszins ruime schaal heeft plaatsgevonden, is het Middellandse Zeegebied. Reeds in voorhistorische tijd werden hier olie, vis en wijn getransporteerd en verhandeld. Kreta was het grote centrum; Rome leefde van graan, dat vanuit Egypte en Afrika werd geïmporteerd. Kostbare, weinig volumineuze artikelen, zoals specerijen, lieten zich betrekkelijk gemakkelijk vervoeren. Vandaar dat het transport ervan, de halve wereld rond, reeds in de Romeinse tijd tot bloei was gekomen. Een verdere ontwikkeling van het massatransport van voedsel stuit lang af op de gebrekkige techniek van de scheepsbouw. In de Middeleeuwen komen lokale hongersnoden nog veelvuldig voor, omdat de verplaatsing van granen over wat lange afstand nog slechts in zeer beperkte mate mogelijk is. Pas in de 16de eeuw is de scheepsbouw zo ver vooruit gegaan, dat een nieuwe fase in de transport kan intreden. Door betrekkelijk korte afstand wordt massaal transport van graan mogelijk.
Het graan, dat in de Oostzee provinciën wordt verbouwd, kan
West-Europa bereiken, terwijl aan de andere kant de verbeterde schepen voor het eerst vanuit Zuid-Europese havens uitzeilen om de grote ontdekkingen te doen. De afstanden zijn hier te groot voor massaal transport en de retourladingen die men meeneemt, moeten, willen de reizen lonend zijn, een hoge waarde hebben. Voorlopig komen alleen genotmiddelen daarvoor in aanmerking. Enorm is de invloed van deze tochten op allerlei gebied geweest. In het Oosten kwam men in contact met volken met een hoge cultuur en de artikelen, die men naar Europa wenste te vervoeren, kon men zelden met Europese artikelen betalen.
Vandaar dat goud naar deze landen bleef afvloeien. In ruil daarvan kwamen naast specerijen en suiker, textiel en porselein op de Europese markt. Verder bleef cultureel de uitwisseling zeer beperkt, waarbij Azië ondanks haar hoge cultuur meer de ontvangende dan de gevende rol heeft gespeeld. Geheel anders lagen de verhoudingen in Amerika. Spoedig werd het een rijke leverancier van edel metaal, terwijl het door de import van een aantal geheel onbekende voedings- en genotmiddelen, maïs, aardappel, tabak, chocolade, een diepe invloed op de Europese ontwikkeling uitoefende. De Amerikaanse beschavingen waren echter in tegenstelling met de Aziatische niet opgewassen tegen de Zuid-Europese. Ze werden in weinig jaren geheel overspoeld.
Het aantal mensen dat in een bepaalde streek kan leven, is onder primitieve omstandigheden beperkt. Indien in een dergelijk gebied, dat groepje van generatie tot generatie toenemen, tot een verdere uitbreiding wordt beperkt door voedselgebrek.
Men kan nu de vraag stellen hoe snel de vermeerdering van de groep zal zijn in de fase voordat dit maximum is bereikt.
Hierbij wordt aangenomen dat de toeneming niet wordt onderbroken door natuurrampen of door het optreden van endemische ziekten, zoals malaria. Het is begrijpelijkerwijze bijzonder moeilijk in dit verband enigszins betrouwbare getallen te verzamelen. In enkele gevallen heeft zich echter in historische tijd een ongewild experiment voorgedaan, dat ons enig inzicht in de vermenigvuldigingssnelheid van een primitieve bevolking, waarbij het voedsel niet de beperkende factor is, geeft. In het laatst van de 18de eeuw en in het begin van de 19de eeuw zijn n.l. enkele keren kleine groepjes van gemengde afkomst, vaak blanke zeelieden met vrouwen van een ander ras, op een onbewoond gebied achtergebleven of hebben zich met opzet in een dergelijk gebied teruggetrokken. Voorbeelden hiervan zijn: de bevolking van Tristan de Cunha, eilandjes in de Basstraat tussen Tasmanië en Australië en het Pitcarn eiland in de Stille Zuidzee. Het blijkt dat deze groepjes zich telkens in ongeveer 30 jaar hebben verdubbeld. Zou deze vermeerdering niet door voedselgebrek zijn beperkt, dan zou na drie eeuwen de groep ongeveer 500 maal zo groot zijn geworden. Deze berekening geldt alleen voor steken, waar de bevolking niet voortdurend door infectieuze aandoeningen wordt geteisterd. De belangrijkste van deze aandoeningen is voor de gematigde en koude luchtstreken de tuberculose, voor de warmere luchtstreken de malaria. In vele tropische gebieden is de kindersterfte aan malaria zo groot, dat ze een verdere uitbreiding van de bevolking tegengaat. Onder dergelijke gevallen zal voedseltekort niet de beperkende factor zijn.
Landbouw, vooral in de tropen, brengt, in het bijzonder indien men bevloeiing gaat toepassen, het gevaar met zich van gunstige voorwaarden te scheppen voor de anophales, de malaria. In vele tropische gebieden is de kindersterfte aan malaria zo groot, dat ze een verdere uitbreiding van de bevolking tegengaat. Onder dergelijke gevallen zal voedseltekort niet de beperkende factor zijn. Landbouw, vooral in de tropen, brengt, in het bijzonder indien men bevloeiing gaat toepassen, het gevaar met zich van gunstige voorwaarden te scheppen voor de anophales, de malaria overbrengende muskiet.
Veel oude cultuurgebieden zijn op de duur met malaria geïnfecteerd geraakt: sommige ervan in zo ernstige mate, dat de bevolking zich op de duur er vrijwel uit heeft moeten terugtrekken. Voorbeelden hiervan zijn; de Romeinse campagna en de vruchtbare gebieden in de Po-vlakte rondom Ferrara. Mesopotamië en Egypte zijn in de oudheid vrij gebleven van malaria. Toen de eerste landbouwers deze gebieden begonnen te cultiveren, moet de bevolking nog zeer gering in aantal zijn geweest. In de loop de eeuw zal de bevolking dank zij het overvloedige voedsel
betrekkelijk snel zijn gegroeid, totdat het voedsel de
beperkende factor voor verdere toeneming der bevolking was geworden. Misschien laat zich dit proces in de geschiedenis van Egypte en Mesopotamië wel aflezen. Na een periode van bloei en ontwikkeling volgt er een periode van binnenlandse onrust met een stagneren van de verdere ontwikkeling. Daar er geen surplus aan voedsel meer is, zullen misoogsten in het reeds overbevolkte landbouwgebied tot hongersnood aanleiding geven.
Het Bijbelse verhaal van Pharao en de zeven vette en zeven magere jaren laat zien hoe goed de voedselvoorziening in Egypte geregeld was en hoe zeer men met opeenvolgende jaren van misoogsten rekening hield. Een gemeenschap, die haar aantal ziet stijgen boven dat wat haar grondgebied redelijkerwijze kan voeden, zal trachten een oplossing te vinden. De eenvoudigste oplossing is wel dat men land bezet, dat nog niet gebruikt is of waar anderen wonen. Het is duidelijk dat dergelijke pogingen in het laatste geval tot conflicten aanleiding moesten geven. De geschiedenis is vol van dergelijke situaties. De tochten van de Grieken in het Middellandse Zeegebied, van de Noormannen, de Volksverhuizing, het uitzwermen van de Arabieren en van de Polynesiërs zijn wel in de eerste plaats door overbevolking veroorzaakt. Noorwegen, Griekenland en Arabië kunnen slechts voedsel leveren aan een zeer beperkte bevolkingsgroep.
Bevolkingsdruk heeft zich hier reeds zeer spoedig voorgedaan. Soms liggen de verhoudingen gemakkelijker en kan men, mits men wat verder trekt, beschikken over grote gebieden met uitstekend landbouwland, dat nog niet of nauwelijks gebruikt wordt. Deze mogelijkheid deed zich voor toen de Russen in de 18de eeuw de Oekraine koloniseerden en in de 19de eeuw toen de grote vlakten van het Amerikaanse middenwesten door kolonisten uit Europa werden bevolkt. Vaak echter liggen de omstandigheden minder gunstig en bestaat er voor een bevolking vrijwel geen mogelijkheid om door emigratie zich van een bevolkingsoverschot te ontdoen. Afvloeiing van het teveel in de industrie is pas een
19de eeuwse ontwikkeling. Men mag aannemen dat een dergelijke situatie leidt tot de invoering van sociale systemen, die groepen van de bevolking vrijwel van de voortplanting uitsluiten. Voorbeelden daarvan zijn: de slavernij, de harem en andere vormen van segregratie.
Ze zijn typisch voor de bevolkingen waar de bevolkingsdichtheid ten opzicht van het beschikbare voedsel groot is.
Ook extensieve landbouw in de droge gebieden, zoals de oudste landbouw die wij kennen in Syrië en Palestina, maakt slechts een geringe bevolkingsdichtheid mogelijk. De hoeveelheid regenval is zowel bepalend voor het oppervlak dat in cultuur kan worden gebracht als wel voor de bevolkingsdichtheid.
In Europa ten noorden van de Alpen was de regenval voldoende om alle land te bebouwen, doch hier trad een andere beperking op, namelijk de vruchtbaarheid van de grond. Betrekkelijk spoedig raakte de grond uitgeput en moest men om een redelijke opbrengst te krijgen een nieuw stuk woeste grond ontginnen (bos rooien). Ook dit hield de bevolkingsdichtheid laag, zolang althans geen betere cultuurmethoden waren uitgevonden. Slechts daar, waar de grond telkens weer vruchtbaar werd gemaakt door overstromingen, was intensieve landbouw mogelijk. Deze gebieden waren de Indusvallei, Egypte en Mesopotanië. Door de grote hoeveelheid voedsel, waarover men kon beschikken, behoefde daar voor het eerst in de ontwikkelingsgeschiedenis niet ieder
direct voor de voedselvoorziening te werken en was specialisatie en daarmee een hogere cultuur mogelijk. De eerste ambachtslieden moeten in deze gebieden worden gezocht. Vandaar de grote voorsprong in beschaving van deze gebieden op de rest van de wereld. Het heeft lang geduurd eer in Europa plaatselijk de voedselvoorziening zo goed was geregeld, dat hogere beschaving mogelijk was. De weinig gespecialiseerde ambachtslieden, smeden en exploitanten van erts dienen om aan de kost te komen te trekken. Eén stam is over het algemeen niet in staat hun blijvend de kost te geven. Merkwaardig is dat de eerste Europese culturen niet zijn gebaseerd op overschotten uit de landbouw, maar op transport en handel. De Grieken brachten metaal en barnsteen uit Spanje en Noord-Europa naar de hoger beschaafde gebieden in het Zuiden en Oosten in ruil voor graan en luxe artikelen. Zelf beschikte men in deze ruilhandel over wijn en olie. Het is begrijpelijk, dat de Grieken, die van dit transport moesten leven, zich niet alleen tot voortreffelijke zeevaarders ontwikkelden, maar ook goede pottenbakkers waren.
Ze moesten immers de olie en wijn op smakelijke wijze verpakken en aan de man zien te brengen: het eerste begin van de conservenindustrie.
Twee grote gevaren bedreigden de bevolkingen van de bloeiende landbouwgebieden in de rivierdalen. Verzilting treedt op indien de hoeveelheid water, die voor bevloeiing beschikbaar is gering is en de verdamping hoog. Het gevolg is dat telkens een deel van het keukenzout, dat in kleine hoeveelheden in het rivierwater aanwezig is met het slib achter blijft. Indien dit proces eeuwen doorgaat, wordt de zoutconcentratie van de grond steeds hoger en de eens zo vruchtbare akkers veranderen in een zoutsteppe. Begrijpelijk is dit vooral wanneer door toenemende droogte de hoeveelheid water die beschikbaar is geringer wordt. Dit verschijnsel heeft zich in Mesopotanmië voorgedaan. In de Middeleeuwen waren na 5 à 6000 jaar intensieve landbouw grote gedeelten van het land zo verzilt, dat ze verlaten moesten worden. Waarschijnlijk is hierop het verval van Bagdad in de Arabische tijd terug te voeren.
Een ander groot gevaar was de verspreiding van malaria.
Een zwervende bevolking van verzamelaars, jagers of herders leert malariagebieden te vermijden. De Arabieren wisten dat de oases voor hen ongezond waren. De bevolking die in de oases leefde had op de duur een zekere immuniteit verkregen, zij het dan ten koste van een hoge mortaliteit op de kinderleeftijd. Een landbouwbevolking kan echter de malaria niet ontwijken; soms kan de malaria in een streek de bevolking zo gaan teisteren, dat het land verlaten moet worden en eens vruchtbare landbouwgebieden in onbewoonde steppen veranderen.
In Mesopotamië, Griekenland en Italië heeft zich dit verschijnsel voorgedaan. Landbouw heeft begrijpelijkerwijze op het dieet van de mens een diepe invloed. Het zal de hoeveelheid dierlijk voedsel in zijn dieet verminderen en daarmede de hoeveelheid eiwit. Graan bevat voldoende eiwit voor de volwassene, maar voor het opgroeiende kind is de hoeveelheid niet meer optimaal. Graan is arm aan vit.C. Voor de bevolking in de tropen en subtropen vormt dit geen probleem; anders is dit in Noord-Europa, waar vruchten en groente maar in een betrekkelijk korte tijd van het jaar overvloedig zijn. Het dieet van de Noord-Europeaan was dan ook in de Middeleeuwen arm aan vit.C. In het bijzonder was dit het geval in de steden, waar het voedsel nog eenzijdiger was dan op het platteland. Scorbuut was dan ook in de Middeleeuwen de grote plaag van de bevolking van Europa ten noorden van de Alpen. Zo is dit gebleven tot het ogenblik dat de aardappel volksvoedsel werd. Hoe arm het voedsel aan vit.C moet zijn geweest blijkt wel uit de talrijke scheepsjournalen, waaruit men ziet dat reeds enkele weken na het begin van de zeereis scorbuut uitbrak. Indien de voeding voor de aanvang van de reis optimaal zou zijn geweest, zou het maanden hebben moeten duren eer scheurbuik manifest zou zijn geworden.
Het scheepsdieet zelf bevatte praktisch geen vit.C. De meeste voor Oost-Indië bestemde schepen deden dan ook voor de reis naar Kaap de Goede Hoop de havens in Portugal, de Azoren, Madeira of Tenerife aan om sinaasappels en citroenen, waarvan de
anti-scorbutische werking zeer goed bekend was, op te doen. Scheurbuik vermindert de weerstand van de bevolking tegen infecties. De combinatie van vit. C-gebrek en ondervoeding heeft de basis gevormd, waarop epidemieën zoals de zwarte dood, zijn ontstaan, waardoor de bevolking van Europa in de Middeleeuwen werd gedecimeerd. Dit voedselgebrek ontstond doordat omstreeks 1300 de bevolkingstoeneming groter werd dan de uitbreiding van het voor landbouw beschikbare areaal, terwijl bovendien de opbrengst van de landbouwgrond door gebrek aan bemesting achteruit begon te gaan. Na de zwarte dood is de bevolking in vele streken sterk teruggelopen, doordat de minst vruchtbare landbouwgebieden weer werden verlaten en hele dorpen werden ontvolkt. In de 16de eeuw maakt een beter transport van graan en de ontsluiting van nieuwe gebieden aan de Oostzee waar graan verbouwd kom worden de bestrijding van hongersnoden gemakkelijker. Hongersnood kwam nog slechts op grote schaal voor, wanneer door oorlog de normale distributie werd gestoord; Duitsland in de dertigjarige oorlog, Frankrijk in de spaanse successieoorlog. De laatste grote hongersnood in West-Europa, die van 1848, was het gevolg van de aardappelziekte, een virusaandoening waardoor de aardappeloogst verschillende jaren
achter elkaar mislukte. De invoer van de aardappel als volksvoedsel in het begin van de 18de eeuw heeft de scorbuut als volksziekte doen verdwijnen.
De eiwitarmoede van de aardappel maakte echter, dat in plaats van scorbuut eiwitondervoeding met hongeroedeem meer werd gezien. Eiwitondervoeding veroorzaakt in de eerste plaats een verhoogde kindersterfte in Europa in de tweede helft van de 18de eeuw en de eerste helft van de 19de eeuw onder de arme bevolkingsklassen hangt waarschijnlijk met eenzijdige aardappelvoeding samen. Eerst sinds het beding van deze eeuw is de voedselvoorziening van de bevolking van West-Europa zo, dat massaal optredende gebreksziekten zeldzaam zijn geworden.
Op nog één aspect van de invloeden die de voeding op de gezondheid van de mens heeft moet hier worden ingegaan. Het is juist die welke verstrekkende gevolgen heeft. Deze verandert namelijk de frequentie waarin bepaalde erfelijke eigenschappen in een bevolking voorkomen. Jet gaat hier om de invloed die een gebrek aan vit.D onder bepaalde omstandigheden op de huidskleur kan hebben. De huidskleur wordt primair bepaald door een aantal erfelijke eigenschappen. In de tropen heeft een donkere huidskleur bepaalde voordelen, in de gematigde luchtstreek daarentegen kunne zich omstandigheden voordoen waardoor de bezitter van een blanke huid betere levenskansen heeft. Kinderen met een sterk gepigmenteerde huid zullen namelijk meer zonlicht nodig hebben om voldoende vit. D te vormen om hen voor rachitis te vrijwaren dan kinderen met een lichte huid. In streken waar 's winters weinig zonlicht is en het voedsel bovendien arm is aan vit.D zullen kinderen met een blanke huid beter vit.D kunnen vormen dan sterk gepigmenteerde kinderen, en als gevolg hiervan zullen ze minder neiging tot rachitis hebben. Ernstige rachitis vermindert de overlevingskansen b.v. indien rachitische kinderen door een van de normale kinderziekten worden aangetast. Bovendien geeft een ernstige rachitis aanleiding tot bekkenvernauwing, die blijvend is en die op latere leeftijd voor de vrouw ernstige gevolgen kan hebben door de moeilijkheden die als gevolg hiervan bij de baring kunnen optreden. Het is duidelijk, dat voor een bevolking, welke leeft ineen streek met lange zonarme winters en op een voeding is aangewezen die arm is aan vit.D, een lichte huidskleur een voordeel betekent. Zijn in een dergelijke bevolking naast elkaar de erfelijke eigenschappen voor een sterke en een weinig gepigmenteerde huid aanwezig, dan zullen door een hogere sterfte van de dragers van de donkere huideigenschappen in iedere generatie het aantal dragers van een blanke huid gaan toenemen, m.a.w. iedere generatie wordt deze bevolking in zijn geheel iets blanker en blonder. In West-Europa hebben zich deze omstandigheden voorgedaan sinds de bevolking in hoofdzaak landbouwend werd. Ongeveer 1500 v. Chr. kregen de kinderen hierdoor immers in tegenstelling tot de kinderen van een jagers- of vissersbevolking een dieet, arm aan vit.D. Op de duur is de bevolking hierdoor steeds blanker geworden. Hierin ligt de verklaring voor het hoge percentage blonde blanke mensen in Noordwest-Europa, waar het verbouwen van graan reeds vroeg werd beoefend. De jagers- en vissersbevolkingen, die nog noordelijker leefden, zoals de Eskimo's en de Laplanders, kregen voldoende vit.D en bleven dus betrekkelijk donker. De mens leeft niet om te eten, maar het is wel duidelijk dat de aard van zijn voedsel zowel op zijn lichamelijke als op zijn geestelijke ontwikkeling van grote invloed is.