DE MENS EN ZIJN VOEDSEL
_______________________
De invloed van de wetenschap op ons leven is groot. Aan de ene kant lost de wetenschap vraagstukken op, maar voor ieder probleem dat zij schijnt op te lossen schept zij veelal nieuwe. Dit is niet alleen zo op theoretisch gebied doch ook op het gebied van de toegepaste wetenschappen. De gemiddelde duur van het leven van de mens heeft zich als gevolg van vele wetenschappelijke ontdekkingen aanzienlijk verlengd. In de eerste plaats is deze verlengde levensduur te danken aan een voorkomen en bestrijden van infectieuze aandoeningen, zoals malaria, pokken, cholera, tyfus, difterie, tuberculose en lues, om
enkele van de voornaamste ziekten te noemen. Van groot belang voor het verlengen van de gemiddelde levensduur is ook de bestrijding van deficiëntieziekten, zoals scorbut, rachitis, beri-beri en pelagra geweest. Niet alleen de levensduur van de mens is toegenomen, maar ook zijn potentiële vruchtbaarheid. Het gevolg is dat niet alleen de mensen langer leven, maar dat ook het aantal geboorten snel is toegenomen en de beklemmende vraag rijst, hoe we in de toekomst in staat zullen zijn de wereldbevolking, die met miljoenen per jaar toeneemt, te voeden. Voorlopig nog lijken de graanoverschotten van de V.S., Canada en Australië groot genoeg om in tijden van voedsel-
crisis, niet alleen India, doch ook China en de Sovjet-Unie te hulp te komen zonder de normale graanleveranties naar West-Europa te reduceren. Maar hoe lang zal dit nog mogelijk zijn?
De bevolkingsaanwas bedraagt In Europa ongeveer 0,6% per jaar. Ze is gering vergeleken met die in Afrika van 1,2% en in Azië 2,7 present. Vooral dit laatste getal is beangstigend, daar hieruit blijkt, dat het werelddeel, waarin de twee landen met het grootste aantal inwoners op aarde voorkomen, India en China, de snelste bevolkingsaanwas vertoont. Op den duur zal aan deze toename op de een of andere wijze een einde moeten komen, daar er anders op de aarde zeker geen voedsel en nauwelijks meer plaats zal zijn. Men neemt aan dat omstreeks het jaar 2000 de wereld het dubbele zal bedragen van thans. Dit betekent dat de voedselproductie tegen die tijd ook verdubbeld zal moeten zijn. Gaarne zou men zelfs nog een sterkere toename van de voedselproductie zien, daar nu het merendeel van de bevolking op aarde voortdurend op de grens van ondervoeding leeft. Zou men in het jaar 2000 de gehele bevolking op de aarde een dieet willen geven dat wij als optimaal beschouwen, dan zou de voedselproductie in het jaar 2000 het 3- à 4-voudige moeten bedragen van thans. Om voedsel te produceren zijn nodig zonneenergie, water, koolzuur en een bodem met een zekere vruchtbaarheid. Op het ogenblik is voor iedere inwoner der aarde ongeveer 6 ha land beschikbaar. Hiervan zijn nauwelijks 2 ha bouwland of grasland. 3 ha bestaat uit land zoals woestijnen en poolgebieden, die alleen door zeer bijzondere maatregelen voor de landbouw geschikt zijn te maken. De rest bestaat uit bossen, die althans ten dele zouden kunnen worden gerooid, maar veel bos groeit op berghellingen, waar landbouw bijzonder moeilijk is, terwijl bovendien een verdere ontbossing in veel streken bijzonder schadelijk zou zijn. Groot zijn de mogelijkheden om de oppervlakte bouw- en weiland uit te breiden dus niet.
Wel zou men kunnen trachten streken met zeer geringe regenval nog in cultuur te brengen. De hoeveelheid zoet water, die beschikbaar is, is echter beperkt. Diepe bronnen in woestijngebieden verlagen de grondwaterstand nog verder en leveren dus op den duur weinig voordeel op. Ontzouting van zeewater zou een oplossing zijn, maar dit is een bijzonder kostbaar proces. De verhoudingen worden nog moeilijker door het feit, dat door uitbreiding van steden en wegenaanleg steeds meer landbouwland verloren gaat. Alles tezamen zal per mens omstreeks 2000 minder dan een 2 ha bouwland en : ha grasland beschikbaar zijn. Vooral indien men de mens beter wil voeden, zal dus de opbrengst per ha aanzienlijk moeten worden verhoogd. Verdere uitbreiding van het bebouwbare areaal na het jaar 2000 is vrijwel uitgesloten; tegen die tijd zal ieder bebouwbaar stukje land vrijwel zijn ontgonnen. Gelukkig is een vermeerdering van de opbrengst per ha zeer wel mogelijk, indien men voldoende nutriënten aan de bodem toevoegt. Vandaar de grote betekenis van kunstmest en van fabrieken, die kunstmest kunnen maken. Indien al het land optimaal wordt bebouwd, zal het water de beperkende factor worden. Wil men na het jaar 2000 de hoeveelheid voedsel nog aanzienlijk uitbreiden, dan zal het maken van zoet water uit zeewater op een economisch verantwoorde wijze moeten zijn opgelost. Door een meer rationele landbouw laat zich echter in de komende 30 jaar de opbrengst aan voedingsgewassen waarschijnlijk vrijwel verdubbelen, indien tevens variëteiten met een hogere opbrengst worden aangekweekt en de verliezen door ondoelmatige wijze van oogsten en bewaren zoveel mogelijk worden tegengegaan. Ook de kwaliteit van het grasland kan zelfs bij een beperkte hoeveelheid zoet water nog aanzienlijk worden verbeterd. Meer gras betekent meer vee en daardoor meer eiwit in de vorm van melk en vlees. Indien alle krachten worden ingespannen zal men inderdaad in staat zijn een tweemaal zo grote wereldbevolking in het jaar 2000 beter te voeden dan thans het geval is.
Weinig is bekend over de mogelijkheden de beschikbare hoeveelheid eiwit uit te breiden door het intensiveren van de visvangst. Sommige zeeën worden nu reeds overbevist, met als gevolg achteruitgaande opbrengst. Grote delen van de wereldzee worden echter nauwelijks bevist en hogere opbrengsten zijn zeker mogelijk. Naast deze voor de hand liggende mogelijkheden zijn er nog andere. Zo kan men trachten het plantaardige eiwit uit gras en boombladeren te zuiveren en in voor de mens bruikbaar voedsel om te zetten. Op deze wijze zou men het vee dat nu nodig is om uit gras voor de mens bruikbaar eiwit te halen kunnen uitschakelen, hetwelk een aanzienlijke besparing zou opleveren. Een verdere mogelijkheid wordt misschien gegeven door het laten groeien van micro-organismen op de afvalproducten van de petroleumindustrie. Het zo gewonnen eiwit is misschien voor de menselijke consumptie niet erg geschikt, maar zou kunnen worden gebruikt als dierlijk voedsel en zou daardoor indirect de mens ten goede kunnen komen. Bovendien is het niet uitgesloten, dat het in de komende decennia mogelijk wordt aminozuren, vetten en eenvoudige suikers direct in fabrieken te synthetiseren, waardoor de afhankelijkheid van de mens van landbouw en veeteelt aanzienlijk geringer zou worden. Hopeloos is de situatie dus allerminst. Het is echter de hoogste tijd dat een groot deel van het menselijk intellect zich gezamenlijk en intensief met deze problemen gaat bezig houden. De tijd is kort bemeten.