De Snotdolf
___________
De snotdolf is een vis met een hoog, breed lichaam, dat bedekt is met een benige uitgroeisel, die in zeven rijen staan (een rij op de rug, vier over de flanken en twee aan de buik). Bij de volwassen vissen zijn de rug en de zijden grijsblauw tot grijszwart, met donkere vlekken op de flank.
In de paaitijd worden de buik en de vinnen van het mannetje steenrood en wordt de rug bijna zwart. De pootvissen en de jonge vissen zijn geel tot olijfgroen met een zilveren streep op de kop.
Het paaien gebeurt vlak onder de kust, op een stenige bodem en bij een temperatuur van 5-8 gr.CE.
De 80.000_200.000 eitjes worden in een aantal keren afgezet.
Het vrouwtje gaat daarna naar dieper water, terwijl het mannetje ter plekke de wacht houdt bij de eitjes, tot ze uitkomen, wat ongeveer 2 maanden duurt.
In die tijd vinden veel mannetjes de dood, in een sterke golfslag of in de maag van een vogel. De snotdolf voedt zich vooral in de winter met schaaldiertjes,
veelborstelige wormen en jongen van andere vissoorten.
Grote, volwassen exemplaren eten ook vis.
Snotdolven brengen het grootste gedeelte van hun leven op de bodem door, ver van de kust, op 50-200 meter diepte.
Ze komen alleen naar de zandbanken om te paaien.
De volwassen vissen hechten zich met zuignap aan de bodem: worden ze opgehaald in een net, dan zit er vaak een dikke steen aan hun buik.
Op de snotdolf wordt vooral gevist om de kuit, die als surrogaat voor kaviaar wordt gebruikt.
Hij is vooral in het noordelijk deel van de Atlantische Oceaan tot op 45 graden noorderbreedte; Oostzee, tot de golf van Finland te vinden.