GESCHIEDENIS VAN DE VOEDING

___________________________

 

Die benijdt een ander zijn respijt,

die quelt sichself en verdijt zijn tijt.

 

INLEIDING

 

1. Sociale achtergrond

______________________

 

De beginletters van de woorden dezer spreuk staan gebeiteld boven een oud stadspoortje te Hoorn uit de 15e eeuw. Dit poortje is intussen verhuist naar de tuin van het Rijksmuseum te Amsterdam. De gedachte vastgesteld in deze spreuk, moet vele van onze voorvaderen bewust of onbewust, eigen zijn geweest, wilde men gezien de dikwijls grote sociale tegenstellingen in zekere gelijkmoedigheid zijn leven slijten. Bij het raadplegen van historische geschriften kan men zich althans moeilijk aan deze indruk onttrekken, hoewel opgemerkt dient te worden, dat het voor deze generatie moeilijk is van de toestanden uit vroe­gere tijden met andere zeden, gewoonten en maatstaven, een objectief beeld te vormen.

Deze  sociale tegenstellingen komen o.a. tot uitdrukking in de gegevens, die bewaard zijn gebleven over de voeding. Er is toch welhaast geen onderdeel van het menselijk leven, dat zo sterk wordt beïnvloed door de cultuur en het welstandspeil van een gemeenschap, als juist de voeding.

 

 

 

2. Verschillen in de keuze

   van de levensmiddelen

________________________

 

Hoewel het accent van het gebruik der levensmiddelen, die een hoofdbestanddeel uitmaken van de voeding, door de eeuwen heen wel enigszins is verlegd, kan men toch in zeer grove trekken aangeven, welke levensmiddelen werden genuttigd enerzijds door de minder bedeelden van het volk en anderzijds door de betere gesitueerde. Ook heden bestaan er verschillen in de voeding van diverse bevolkingslagen. Deze zijn echter voor een groot deel te herleiden tot een verschil in quanta en bereiding van verschillende levensmiddelen, terwijl alle groepen eisen aan de kwaliteit e.d. kunnen stellen: dit alles in het raam van een zeer ruime voedselkeuze, terwijl ook thans voor een groep met een smalle beurs een optimale voeding te verwezenlijken is.

In vroeger jaren, kwamen deze verschillen veel scherper en dikwijls schrijnend tot uitdrukking, terwijl er slechts van een beperkte voedselkeuze sprake was.

Het stellen van kwaliteitseisen konden de minder bedeelden zich niet permitteren. Voor de beter gesitueerden was dit

overigens dikwijls ook een precaire kwestie, daar men geheel afhankelijk was van een plaatselijke leverancier.

De voeding van de armere bevolking bestond in de 15e, 16e en 17e eeuw voor een groot deel uit grof tarwe- of roggebrood, uitgezonderd in de jaren van misoogst, wanneer boekweitbrood werd gebruikt (misoogsten waren, globaal gezien, vrij talrijk), terwijl voorts gebruikt werden peulvruchten, pastinaken (hiervoor in de plaats kwamen later de aardappelen) en grove wintergroenten: rapen, koolsoorten, uien, prei. Daarnaast in dikwijls zeer geringe mate, varkenvlees, kaas, eieren en

afhankelijk van de streek, waar men woonachtig was, vis. Het gebruik van haring was sterk afhankelijk van de streek en aan­voer. Als drank werd gebruik gemaakt van water, zure of zoete wei en voor degenen die het iets beter konden doen, bier.

Het bier in vele soorten en kwaliteiten was in deze eeuwen wel de meest populaire volksdrank.

Goedkoop bier was: dun of scharpbier

De groep met de platte beurs, blijkt, ondanks het feit dat ons land tijden heeft gekend van grote bloei, onrustbarend groot te zijn geweest. Niet zelden schijnt het te zijn voorgekomen, dat in de grote steden één van de vier inwoners in aanmerking kwam voor brooduitdelingen e.d. Dat de groep armen en bedeelden niet nog groter was, vond zijn oorzaak in het zeer hoge sterftecijfer van deze categorie.

Hoewel anderzijds veel goed gesitueerden in die tijd zeer sober leefden (vele oud-Hollandse spreuken herinneren eraan o.a.:

Zuivel op zuivel is het werk van de duivel), bleken er zich in bepaalde kringen toch zulke excessen voor te doen op het gebied van eten en drinken, dat van overheidswege maatregelen genomen moesten worden tegen deze zwelgpartijen.

Is het een te gewaagde gedachtensprong te veronderstellen, dat er nog heden ten dage in hoog aanzien staand gebruik: het uitloven van een zilveren beker of wisselbeker bij wedstrijden, afkomstig is van de drinkgelagen der gildebroeders e.d.?

Tijdens deze vergaderingen pleegde men namelijk van soortgelijke gouden en zilveren drinkbekers respectabele inhoud en grootte gebruik te maken.

Ons land bezat dan ook op dit gebied een enigszins twijfelachtige reputatie. Ook schilderstukken van de bekende schilders laten zien, dat onze voorouders zich een goede maaltijd best lieten smaken.

Levensmiddelen, die een grotere of kleinere plaats in de

voeding van de groep beter gesitueerden innamen waren:

- witbrood en beschuit

- kaas (waarvan veel gebruik werd gemaakt)

- vlees (varkens-, rund-, schapen- en geitenvlees)

- wild en gevogelte

- vis (in vrij grote hoeveelheden)

- boter (slechts weinig)

- fijnere groenten (eveneens slechts weinig)

- vruchten (in matige hoeveelheden - dikwijls gekookt met

  kruiden ter voorkoming van de " verkoeling der maag)

- gebak, koeksoorten, marsepein

- boekweit, rijst, krenten, rozijnen en suiker

 

Als drank kwamen voor deze groep in aanmerking:

- wijn (op het laatst der middeleeuwen verkocht via apotheken)

- bier (o.a. Hamburger, Breda's, Delfts bier)

- kruidenwijnen (Hypocras en Clareit)

- karnemelk

- melk (slechts weinig)

 

 

3. De ontwikkeling der voedselkeuze

   in latere eeuwen,

   onder invloed van de sociale omstandigheden

_______________________________________________

 

In de 18e en 19e eeuw kwam, aanvankelijk eerst voor de minder gegoeden, het gebruik van aardappelen in zwang. De aardappel, een bijzonder goede vit. C-bron, in een voeding, die tot dan toe een minimale hoeveelheid vit. C bevatte, werd voor deze groep der bevolking hoofdvoedsel, naast enkele meelspijzen bereid met wei of karnemelk. Deze levensmiddelen verdrongen het brood, vanwege de relatief hoge prijs hiervan (accijns op het gemaal), waardoor de voeding in andere onderdelen deficiënt werd of bleef).

Het is niet zo sterk te verwonderen, dat het gebruik van

jenever, dat in de 2e helft van de 17e eeuw in zwang kwam als soelaas, juist bij deze categorie mensen zeer grote opgang maakte.

In de latere eeuwen zijn de excessen op het gebied van eten en drinken sterk verminderd. Van de zijde der beter gesitueerden, werden naast de bestaande brood- en snoepuitdelingen van overheidswege, op particulier initiatief, hier en daar enkele maatregelen getroffen om de ergste nood van de minder bedeelden te lenigen. Deze maatregelen sorteerden echter weinig effect.

In betere kringen werd aan het einde van de 18e eeuw de

aardappel eveneens populair. Ook kwam in deze tijd het gebruik van thee en koffie in zwang. Aanvankelijk kon men hier en daar zelfs spreken van misbruik dezer dranken.

 

 

4. Voedingsgewoonten

____________________

 

Uit de slechte sociale toestanden deze arbeidende klasse in de 19e eeuw zijn bepaalde voedingsgewoonten gegroeid, die nog heden ten dage in verschillende streken van ons land in meerdere of mindere mate worden gehandhaafd. Vele voedingsgewoonten zijn dikwijls ontstaan uit economische, moralistische of ethische overwegingen van een voorgeslacht, die door nazaten soms na eeuwen nog worden gevolgd, terwijl der indertijd geldende omstandigheden of redenen reeds lang niet meer bestaan.

Zo is het veelvuldig gebruik van roggebrood in plaats van

tarwebrood in het noorden en oosten van het land een typisch voorbeeld van een voedingsgewoonte ontstaan uit economische overwegingen onzer voorouders. Tot het midden van de vorige eeuw werd er nl. accijns gegeven op het malen van koren, waar­door de broodprijs zeer ongunstig werd beïnvloed. Groepen der bevolking met een platte beurs gingen er dan ook toe over voor eigen gebruik rogge te malen of als geheel te verwerken tot roggebrood. Voor de bereiding van deze broodsoort behoeft de korrel nl. niet of althans veel minder gemalen te worden dan bij tarwebrood het geval is. Dat ook in Groningen en Friesland waar vanwege de goede kleigrond overwegend tarwe en bijna geen rogge werd verbouwd, toch het gebruik van roggebrood zeer grote opgang heeft gemaakt en men dus uit economische overwegingen rogge kocht voor eigen gebruik, spreekt boekdelen.

Dat niet alleen de minder welgestelde boer (en dat waren er vele toentertijd, tengevolge van de vele misoogsten en ziekten in het gewas) maar ook de welgestelde boer op de kleigrond hiertoe overging en dat deze voedingsgewoonten in deze kringen nog worden gehandhaafd, bewijst weer eens te meer de zuinige aard en vasthoudendheid van de Nederlandse boer.

Ook het veelvuldig gebruik van aardappelen en karnemelkpap,dikwijls ter vervanging van de broodmaaltijden, zoals dit in bepaalde streken van ons land nog voorkomt, is te herleiden tot de bijzonder slechte sociale toestand van de arbeidende klasse in de vorige eeuw. Aardappelen en karnemelk werden nl. gebruikt als varkensvoer. Beide levensmiddelen waren zeer goedkoop en enkele van de weinige voedingsmiddelen, die voor deze groep van mensen bereikbaar waren. Zelfs het gebruik van spekvet was voor vele dezer mensen een luxe, terwijl juist het gebruik van vette spijzen in Nederland zeer populair was.

Bij een goed gerichte voeding is het combineren van het gebruik van aardappelen en karnemelk in één maaltijd, ter vervanging van een andere voor die tijd te kostbare eiwitbron, uit

voedingsleeroogpunt gezien nog min of meer acceptabel.

Daar er echter niet of nauwelijks sprake was van het gebruik van brood, groenten, vruchten, e.d. bleef de voeding bijzonder eenzijdig en deficiënt. Merkwaardig is ook, dat in tuindersstreken, bv. Noord-Holland waar toen reeds vele soorten groenten werden verbouwd, hiervan een minimaal gebruik werd van gemaakt door de tuinders zelf. Het blijkt zelfs, dat de normale bereidingswijze van bepaalde groenten, die worden gekweekt, in vele gezinnen onbekend was en is, bv. Brussels lof. In plaats van groenten gebruikte en gebruikt men in Noord-Holland en in bepaalde streken van Drente en Overijssel het afgevallen ooft. Het lijkt waarschijnlijk dat bij het voorgeslacht hier ook overwegingen van economische aard en wellicht ook conservatisme een rol hebben gespeeld.

Wellicht ware het wenselijk, indien mogelijk, bij het geven van voorlichting op voedingsgebied, aan te geven waarom en hoe bepaalde onjuiste voedingsgewoonten zijn gegroeid, teneinde onze generatie op meer overtuigende wijze een betere voedingsgewoonte aan te bevelen. Het argument van velen is immers, dat hun voorgeslacht op deze (minder juiste) voeding toch ook groot is geworden. Men kan hun dan vertellen, dat onze voorouders wellicht uit nood tot deze voedselkeuze zijn gekomen en wij nu in betere sociale omstandigheden leven, zodat de noodzaak tot het continueren van deze voedingsgewoonten niet meer aanwezig is.

 

HET VOEDSEL EN DE EETGEWOONTEN

VAN ONZE VOOROUDERS

 

1. De verandering van onze voedingsgewoonten

____________________________________________

 

Onze voedingsgewoonten veranderen, hoewel wij ons dit niet steeds bewust zijn. Het menu van vrijwel alle groepen van onze bevolking was vijftig jaar geleden reeds duidelijk anders dan nu. Hoe verder wij terug gaan, des te groter deze verschillen worden. In dit veranderen van ons dagelijks voedsel weerspiegelt zich een belangrijk stuk uit onze sociale en economische geschiedenis. Vele van de ziekten, waaraan onze voorouders leden, kunnen uit verkeerde voedingsgewoonten worden verklaard.

Het voedsel van een bepaalde bevolkingsgroep is op een zeker ogenblik niet alleen afhankelijk van het voor hen beschikbare voedsel, maar wordt ook sterk door traditie bepaald. Dergelijke tradities wijzigen zich voortdurend, maar doen dat zeer geleidelijk en een enkel individu kan zich moeilijk, wat zijn voedingsgewoonten betreft, van de groep, waarin hij leeft, losmaken. Vaak zou bv. een bepaalde groep zich veel beter kunnen voeden, als er niet door bepaalde gewoonten bezwaren bestonden tegen het gebruik van bepaalde voedingsmiddelen. Welk voedsel bereikbaar is, hangt sterk af van het klimaat van het land, het niveau van landbouw, veeteelt en visserij, de mogelijkheden tot conserveren van voedsel en de mogelijkheid om voedsel van el­ders aan te voeren. Ook de dichtheid van de bevolking is natuurlijk ook van groot belang.

Indien wij in de geschiedenis terug gaan, zien wij dat de opbrengst van het bouwland veel geringer was door het vrijwel ontbreken van meststoffen. Door het ontbreken van voldoende wintervoer voor het vee was het nodig in de herfst een belangrijk deel van het vee af te slachten, terwijl de conserveringsmethoden in onze ogen nog vrij primitief waren. Bovendien was nog niet zo heel lang geleden het transport van levensmiddelen, die sterk aan bederf onderhevig zijn, slechts voor korte afstand mogelijk.

Grote steden konden dan ook pas ontstaan toen het vraagstuk van het voedseltransport iets was verbeterd. Vandaar ook dat

grotere steden vroeger bij voorkeur aan grote waterwegen waren gelegen, daar deze de enige mogelijkheid tot transport boden.

In de 19e eeuw, als de grote fabriekscentra gaan groeien ontstaat daar een duidelijk gebrek aan vlees, terwijl op hetzelfde ogenblik het vlees van de runderen die weidden op de grote grasvlakten van Argentinië en het middendeel van de Verenigde staten niet geconsumeerd werd. Het duurt ondanks vele experimenten, tot het einde van de 19e eeuw voordat het vervoer van vlees met koelschepen, of het conserveren van het vlees door inblikken, zover was ontwikkeld, dat deze overvloed de grote bevolkingscentra in West-Europa kon bereiken. Merkwaardig ge­noeg neemt intussen de bevolking in deze exportlanden zo snel toe, dat exportmogelijkheden weer geringer worden. Bij de grote emigratie uit West-Europa in de 19e eeuw verplaatst een deel van de bevolking zich naar die plaatsen waar voedsel in overvloed is.

Een voedingsmiddel dat van oudsher op grote schaal is getransporteerd en dat zich ook hiertoe het beste leent, is het graan, dat eerst uit de Oostzee-landen, later uit Zuid-Rusland, de Verenigde Staten en Argentinië naar europa is verscheept.

Nieuwe, geheel onbekende, voedingsmiddelen hebben in de latere jaren ons dieet nauwelijks meer verrijkt. Wel is het verbruik bv. in ons land van allerlei plantaardige en soms ook wel van dierlijk voedsel, dat hier van ouds niet voorkwam, sterk toegenomen. Vandaar dat ons dagelijks voedsel steeds gevarieerder is geworden. Voorbeelden van dergelijke voedingsmiddelen zijn: de banaan, tomaat en de ananas. In andere streken waren deze voedingsmiddelen reeds lang bekend. Aan de andere kant zien wij ook wel, dat voedingsmiddelen, die eens tot het normale menu behoorde, doordat zij zeldzaam zijn geworden, alleen nog maar als delicatesse gehandhaafd blijven, zoals bv. zalm en oester.

Een zeer belangrijke periode in de geschiedenis van ons voedsel zijn wel de jaren na de grote ontdekkingsreizen in het einde van de 16e eeuw. Allerlei nieuwe voedings- en genotsmiddelen zijn door deze reizen in West-Europa geïntroduceerd. Ten dele en dat geldt voor de uit Azië afkomstige gewassen,waren ze wel bekend, maar door het gebrekkige transport over land door Perzië en Egypte was de aanvoer ervan zeer gering. Juist de behoefte aan deze producten deed de Portugezen de zeeweg naar Indië ontdekken.

Geheel nieuw was van Aziatische producten aalleen de thee, die dan ook uit het uiterste oosten van Azië: China, afkomstig was. Bij de verbreiding van de thee heeft zich iets merkwaardigs voorgedaan. Zij heeft Europa over land uit het oosten en over zee vanuit het westen bereikt. Vandaar dat de russen en de 17e-eeuwse zeevarenden: Engelsen en Hollanders, theedrinkers zijn.

De koffie daarentegen heeft Europa vanuit Constantinopel bereikt, waar deze drank, overigens oorspronkelijk afkomstig uit Abessinië, eerst in de 16e eeuw in de mode komt. Vandaar verspreidde het gebruik van koffie zich over Italië en Wenen naar midden-Europa.

 

 

2. De voeding in de 17e eeuw

____________________________

 

Indien wij een ogenblik stilstaan bij het dagelijks voedsel van onze 17e-eeuwse voorouders, dan valt het op hoe groot die verschillen met de voeding van nu reeds zijn. Men kan zich over dit dieet aan de hand van archiefstukken, maar ook door het bekijken van de 16e- en 17e-eeuwse schilderijen een goede voorstelling vormen.

Brood in allerlei vormen, vaak tezamen met kaas was het voor­naamste voedingsmiddel van de gewone man. De boter, die vaak sterk was, was als voedingsmiddel niet erg in tel en werd meer door de armen dan door de rijken gebruikt. Melk werd in de steden weinig gedronken, daar het transport moeilijkheden opleverde en melk bovendien zeer gemakkelijk bederft. Tevens had melk een slechte naam als overdrager van tyfus.

Merkwaardig is dat patiënten, bv. met tuberculose en met

nieraandoeningen, aangeraden werd menselijke melk te drinken.

Het gebruik van groenten was gering. De combinatie van een dieet arm aan boter, melk en groenten leidde tot een dieet arm aan vit. A en caroteen. Het gebruik van kaas eb dus van botervet schijnt het caroteentekort niet voldoende te hebben gecompenseerd. Vandaar veel klachten over nachtblindheid en blaasstenen die beide het gevolg kunnen zijn van een vit. A-gebrek en die juist bij de beter gesitueerden veel voorkwamen.

Naast brood gebruikte men andere meelspijzen, meelpap, wafels, koeken en krakelingen; honing, niet de kostbare suiker, was de zoetstof.

Het is opvallend hoe zelden suiker op de 17e-eeuwse schilderijen voorkomt. Pas met het gebruik van de thee aan het einde van de 17e eeuw wordt het gebruik van suiker meer algemeen; de aanvoer wordt dan groter en de prijs daalt. Dit is ook de tijd dat de suikerpot ontstaat.

Vis werd veel gegeten aan de kust en in de Hollandse steden. Veel zeevis, doch ook het gebruik van zoetwatervis moet groot geweest zijn, vooral verder in het binnenland, daar het transport van verse vis weer op grote moeilijkheden stuitte. Ook zien wij op schilderijen veel gezouten of gerookte vis. Vooral haring en stokvis, afkomstig uit de Noorse landen, werden veel naar het Middellandse zeegebied verhandeld, terwijl zij hier ten lande ook zeer veel gegeten werden.

Merkwaardig is in deze tijd de schaarste aan vers vlees gedurende het grootste deel van het jaar. Slechts in het najaar, in de slachttijd, was er vers vlees in overvloed. Was dat deel van de veestapel, waarvoor men 's winters geen voedsel meer had, afgeslacht, dan was vers vlees weer tot de volgende herfst schaars. Het geslachte vlees werd geconserveerd door zouten en roken. Erg smakelijk zal dit vlees het volgende voorjaar echter wel niet meer geweest zijn. Vandaar de grote behoefte aan wild. De jacht was echter een angstig bewaakt privilege der rijken en wild zal de gewonde man in de stad zelden hebben bereikt. Vooral waterwild was in overvloed aanwezig. Door het primitieve geweer was schieten was schieten bijzaak en leverden eendenkooien en het vangen onder netten het meeste waterwild op.

Een groot verschil met het hedendaagse menu vormt het ontbreken van de aardappel en het geringe gebruik van groenten. Fruit was slechts een korte tijd van het jaar verkrijgbaar. Hoewel de doktoren er tegen waarschuden, moet fruit, gezien ook de 17e-eeuwse schilderijen, toch vrij algemeen zijn gebruikt.

De armen aten zeker groenten, bv. knollen, kool en wortelen. Het bezwaar van de medici tegen het gebruik van fruit is begrijpelijk: het bracht vooral besmettelijke ziekten zoals dysenterie en tyfus over.

De citroen en iets later de sinaasappel die in de 17e eeuw  hun intree. Wij zien deze vruchten afgebeeld op de schilderijen in het midden van de 17e eeuw. Het bleven echter zeldzame

vruchten, die voor de voeding van de bevolking van geen belang waren. Ditzelfde geldt ook voor de ananas, die vooral in de 18e eeuw in kassen bij buitenplaatsen soms werd verbouwd. De ananas behoort evenals de aardappel tot de talrijke voedings- en

genotsmiddelen, die wij aan de nieuwe wereld danken.

Door het geringe gebruik van groenten en vruchten werd het dieet over het algemeen arm aan vit. C, vooral natuurlijk in de winter en het vroege voorjaar.

Scheurbuik dreigde dan ook iedere lente en een kort verblijf op zee, waar de voeding nog eenzijdiger was, deed reeds scheurbuik uitbreken.

 

 

3. De voeding in verband met de kookmethode

___________________________________________

 

Als wij de 17e-eeuwse schilderijen bezien is het opvallend, dat er zo vaak pasteien gevuld met vlees of vis of pasteivormen gevuld met vruchten op voorkomen. Dit zal ten dele wel mee samenhangen, dat een dergelijke pastei zich goed liet uitschilderen. Maar zeker werd zij vaak genoeg klaar gemaakt.

Het spreekwoord " Bij gebrek aan brood, eet men korstjes van pastei" wijst hier wel op.

Het veelvuldig gebruik van pasteien hing samen met de

primitieve wijze van koken. Een fornuis ontbrak, men beschikte slechts over een open vuur, waarboven men in een ijzeren,

koperen of bronzen pan of pot iets kon koken en waarvoor men aan het spit iets kon braden of roosteren. De oven nam daarom een belangrijkere plaats in dan op het ogenblik. De oventjes waren echter primitief en werden voor gebruik eerst met een houtvuurtje warm gestookt. De zo verhitte ruimte werd voor het bakken gebruikt. Wel bakte men in het vuur graag wafels en koekjes met verschillende vormen van wafelijzers. Het vlees of wild werd vóór het vuur gebraden. In de potten kookte men brij of soep, waarin men naast melk en vlees gort en groenten gebruikte. Knoflook werd meer gebruikt dan nu.

De aardappel deed zijn intrede in ons land in het begin van de 18e eeuw. Reeds in de tweede helft van die eeuw was ze een algemeen gebruikt volksvoedsel.

 

 

4. Eetgerei

___________

 

Met dit geheel andere menu en de andere kookgewoonten hing ook het andere servies samen. In het midden van de 17e eeuw ontbraken borden van porselein of aardewerk nog vrijwel.

Men gebruikte houten of tinnen langwerpige of ronde plaatjes, waaruit later het tinnen bord is voortgekomen. De pap of soep dronk men uit een nap of wel direct uit de pot.

De lepel had dan ook een andere vorm dan thans, ze was beter geschikt om uit een diepe pot of nap wat op te scheppen.

De vork had nog maar drie tanden en diende om wat vast te

prikken. Veelal at men met zijn vingers. Het tafelgerei dat wij nu kennen, (12) gelijke (zilveren) vorken, lepels en messen, komt pas in het laatst van de 17e eeuw in de mode. Voordien nam ieder zijn eigen bestek in een etui mee.

Bier dronk men uit kannen van Keuls aardewerk. Het glas was zeldzaam en kostbaar. De gewone man dronk nog vaak uit houten bekers en pullen, die wij op de 16e-eeuwse schilderijen, doch niet op het 17e-eeuwse pronkstilleven zien.

 

De gewoonte om van aardewerken of porseleinen borden te eten kwam in het begin van de 18e eeuw op. Zo'n 18e-eeuwse servies had grote assietten voor vlees, maar ook kleine dekschalen voor aardappelen en groenten, die toen overigens in de mode kwamen. Belangrijk op de tafel was het zoutvat, vaak van kostbaar

zilver. Het kwam al in de Middeleeuwen voor. De suikerstrooier en het olie- en azijnstel waren daarentegen 18e-eeuwse

verrijkingen van deze tafel.

 

naar nic