KOFFIE, THEE EN CHOCOLADE
IN DE GESCHIEDENIS
_________________________
Voor zijn eten en drinken is de mens op de natuur aangewezen. Al naar de plaats waar de primitieve mens leefde, hebben de voedingsmiddelen min of meer planten, die hij als voedsel
gebruikte, waren er vele, die behalve voedingsstoffen ook
bestanddelen bevatten met een duidelijke farmaceutische
werking. Soms zal deze bijwerking de plant als voedingsmiddel hebben uitgeschakeld of een bijzondere bewerking noodzakelijk hebben gemaakt, zoals bv. bij de cassave; een andere keer werd deze bijwerking juist gewaardeerd en ging men de plant vanwege deze eigenschappen in het bijzonder zoeken. Van het begin af zijn planten, die men zocht als genotmiddel, en die welke men zocht omdat zij een geneesmiddel tegen bepaalde ziekten vormden niet duidelijk van elkaar te onderscheiden. Zeker is echter, dat vrijwel ieder volk kruiden kende, die het gebruikte omdat men er, en over het algemeen terecht, een zekere genees-
krachtige en opwekkende werking aan toeschreef. Reeds in primitieve zijn deze planten verbouwd en hebben zij zich verspreid.
De verspreiding was echter veel geringer dan die van de voornaamste voedingsgewassen. De meeste van deze planten leenden zich slecht voor het overbrengen andere klimaten. In een enkel genotmiddel is reeds vroeg een belangrijke handel ontstaan.
Zo werden specerijen, in hoofdzaak peper, reeds in de oudheid uit Oost-Azië naar Europa verhandeld. Het volume van deze
handel bleef echter klein en de verspreiding van nieuwe genotmiddelen vond uiterst langzaam plaats. Iedere bevolkingsgroep was op het gebruik van kruiden uit een betrekkelijk beperkt, nabij gelegen, gebied aangewezen. In de laatste 400 jaar is hierin een grote verandering gekomen. Het gebruik van plaatselijk verbouwde kruiderijen is sterk achteruitgegaan. Enkele genotmiddelen hebben vrijwel de gehele wereld veroverd en hebben in de levensgewoonten van vele volkeren een revolutie veroorzaakt. In 1500 kende Europa geen koffie, geen thee en geen chocola, noch andere opwekkende dranken, saliemelk misschien daargelaten Het enige wat men kon drinken, waren, behalve water en melk, die vaak bacteriologisch sterk verontreinigd waren, al naar de landstreek bier en wijn. Als men aan zijn ontbijt reeds met bier begint, zoals eens heel gewoon was, is men wel in staat tot zware lichamelijke arbeid, maar van intellectuele prestaties komt na dit vroegtijdig biergebruik weinig. Men zou kunnen veronderstellen, dat de enorme intellectuele opbloei van de tweede helft van de zeventiende eeuw en de achttiende eeuw mede veroorzaakt is door de introductie van de niet-alcoholische stimulerende dranken, koffie, thee en chocolade. Het is wel opvallend, dat het intellectuele en literaire leven van de achttiende eeuw zich voor een groot deel in het dan nieuwe café afspeelt. Men kan zich wel een intellectueel café voorstellen, maar nauwelijks intellectueel uitwisseling rond een
"Stammtisch" met gevulde potten bier. Merkwaardig is het, dat Europa, waar thee, koffie noch chocola inheems waren, voor de verspreiding van deze dranken heeft gezorgd en dat het Europeanen waren, die de verbouw van de betreffende gewassen in andere gebieden dan de landen van oorsprong hebben gestimuleerd.
De kracht van het Westen lag in zijn betere transportmogelijkheid, doordat daar het zeilschip tot ontwikkeling was gebracht. Nadat Italianen, Spanjaarden en Portugezen koffie, thee en chocolade in de zestiende en zeventiende eeuw voor het eerst in Europa hadden geïntroduceerd, speelt Holland met zijn belangrijke scheepvaart een grote rol in de tweede fase van het
proces, toen transport op grote schaal mogelijk werd en nieuwe gebieden voor de cultuur van de genoemde genotmiddelen werden opengelegd. Tegen het zeilschip moest de karavaan het na enige tijd van ernstige concurrentie afleggen. De dominerende positie van Europa in deze tijd blijkt uit de vele levens- en genot-middelen, die het uit alle bestaande beschavingen naar zich toe haalt, om ze daarna verder te verspreiden: de thee uit Oost-Azië, de koffie Arabië, de chocola uit Mexico.
De stimulerende werking van deze drie genotmiddelen berust op het hoog gehalte (tussen 1 en 2%) aan xanthine-derivaten.
Koffie bevat cafeïne, thee cafeïne en theophylline, cacao
theobromine. De werking van deze drie farmacie is gelijksoortig Op verschillende organen echter is hun uitwerking verschillend in intensiteit. Cafeïne is van de drie de krachtigste stimulans wat betreft het centraal zenuwstelsel. Het werkt op de hersenschors, het gaat geestelijke vermoeidheid tegen en vermindert de neiging tot slapen. Het werkt ook op het verlengde merg, waar het de respiratoire en de vasomotore centra prikkelt.
De werking van theophylline en theobromine is in dit opzicht minder sterk. Wat het cardiovasculaire systeem betreft, is theophylline het actiefst, maar ook de werking van cafeïne is duidelijk. Daar cafeïne zowel direct op de hartspier als op de vasomotore centra in het verlengde merg werkt en de invloed op deze organen ten dele een omgekeerd effect heeft, wisselt het totaal effect van geval tot geval. Zo geeft het bij sommigen een geringe vertraging, bij anderen een geringe versnelling van de hartactie. Ook is het niet zeker of het de coronair-
circulatie doet toenemen; wel doet het de bloeddruk over het algemeen iets stijgen. Vooral theophylline doet spasmus van de bronchiaalspieren verslappen.
Alle drie geven een zekere mate van diurese; theophylline het sterkst. Theobromine heeft de duidelijkste werking op de
skeletspieren, waarvan het de kracht doet toenemen. In de
praktijk echter is de werking van cafeïne, daar het de
vermoeidheid van het centraal zenuwstelsel tegengaat, ook op de spierkracht groter. Alle drie, doch vooral cafeïne, doen de basale stofwisseling stijgen. Deze stijging kan wal 20%
bedragen. De hoeveelheid cafeïne, die één kop thee of chocolade bevat. Uit de oudere literatuur blijkt, dat de volkeren, die deze genotmiddelen voor het eerst leerden kennen, reeds vrij vroeg op de hoogte waren van hun farmaceutische werking.
Koffie komt oorspronkelijk Abessinië, doch moet reeds vroeg in Zuid-Arabië zijn geteeld, vanwaar het zich verder heeft
verspreid. Faustus Naironi, een Syriër, die later in Italië hoogleraar werd, beschrijft in de zeventiende eeuw de ontdekking van de koffie. Volgens hem zouden monniken van een
klooster in Zuid-Arabië (Jemen) gemerkt hebben, dat geiten die koffiebessen gegeten hadden niet vermoeid werden en 's nachts niet rusten. Na gebruik van een aftreksel van de koffiebes zouden de monniken bij zich zelf de stimulerende werking hebben geobserveerd. Erg waarschijnlijk lijkt het verhaal niet.
Niet onwaarschijnlijk is, dat de koffie in de Arabische landen in zwang is gekomen om de leemte op te vullen, die was ontstaan door het verbod van het gebruik van wijn door Mohammed. Toch is het merkwaardig, dat de Arabieren betrekkelijk pas laat de koffie hebben leren kennen. Avicenna, een Arabisch filosoof, die omstreeks het jaar 1000 leefde en die in middeleeuws Europa een grote autoriteit bezat, kende de koffie nog niet. Vrij vroeg, in de vijftiende eeuw, wordt deze drank in Perzië
gedronken. In Mekka, dat toch vlak bij Jemen ligt, schijnt men hem pas omstreeks 1450 te hebben leren kennen. Even later wordt hij populair in Egypte, waar de Turken, die dit land in het begin van de zestiende eeuw veroverden, hem leren drinken.
In 1550 wordt hij in Constantinopel reeds veel gebruikt.
In Cairo kent men, evenals in Constantinopel, dan ook reeds koffiehuizen, waar koffie wordt geschonken en waar de mannelijke bevolking met elkaar converseert en schaakt. Gezien de vele contacten, die er tussen de Levant en Italië waren, is het niet verwonderlijk, dat de koffie vroeg in de zeventiende eeuw in Venetië en iets later in Marseille wordt gebruikt.
Ook kruidkundigen zijn in de plant geïnteresseerd. Prosper Alpenus, hoogleraar in Padua, die Egypte in 1580 in het gevolg van een Venetiaans gezant bezocht, beschrijft haar. In Frankrijk wordt in Marseille in 1664 het eerste koffiehuis geopend. Een gezant van de Turkse sultan Soliman bood koffie in 1669 aan Lodewijk XIV aan. Engelse reizigers in Arabië, zoals Middelton (1611) en Blount (1634) beschrijven het gebruik van koffie. In Engeland zelf doet koffie omstreeks 1650 zijn intrede.
De Hollanders nemen de gewoonte van de Engelsen over. De eerste Hollander die de koffie beschrijft, is de geneesheer Clusius, die in 1596 de boon uit Kreta kreeg. Aan het einde van de
zeventiende eeuw gelukte het de koffieplant in Nederland in kassen in leven te houden, o.a. in de kas van de Amsterdamse burgemeester: Nicolaas Pancras. Dit is van belang, omdat
Nederland de koffieplant in het begin van de achttiende eeuw naar Java en Suriname zal overplanten, terwijl ook de Fransen haar dan op Martinique aanplanten. Omstreeks 1690 is de koffie in Holland al zo populair, dat men er belasting op gaat heffen. De thesaurier-generaal van de Republiek, Hop, bekend uit de slag van Austruweel in de Spaanse Successie-oorlog, die wel van koffie, maar niet van warme dranken hield, vond het Haagse hopje uit. In Noord-Duitsland maakt men met de koffie kennis vanuit Holland en Engeland. De eerste Duitse beschrijving van de koffie is van Rauwulf, in Augsburg in 1570. Het heet dat het koffiegebruik in Wenen populair werd na het beleg van de stad door de Turken in 1683, die op een overhaaste terugtocht veel koffie niet reeds eerder zou hebben leren drinken.
De oostindische Compagnie leerde de koffie reeds kennen in een vroeg stadium. Pieter van den Broucke bezocht Mocha in Jemen in 1616 en schrijft over " een spetie van swarte boontjes .... gelijkc boontjeholwortel daer swart water van maken en warm indrincken ". De handel in koffie, die deze in Arabië kocht en weer verkocht in Perzië en in het westelijk deel van India, was voor de oostindische Compagnie belangrijk. Zo kocht ze, voordat ze iets in Holland invoerde, reeds 40.000 pond per jaar, wat slechts een klein deel van de totale Arabische koffie-oogst was De meeste koffie ging met karavanen naar alle delen van het Mohammedaanse cultuurgebied. In 1661 houdt de Compagnie haar eerste Amsterdamse koffieveiling.
Hollanders, Fransen en Engelsen proberen in die jaren zoveel mogelijk koffie in Mocha te kopen. De Europese vraag wordt ieder jaar groter. De prijzen stijgen door de onderlinge
concurrentie, hoewel de produktie kennelijk toeneemt. In 1715 exporteerde de Compagnie alleen uit Mocha 70.000 pond; de
Engelsen exporteerden vaak nog meer. In 1720 dalen de Hollandse koffie-aankopen in Mocha snel. Na aanvankelijke moeilijkheden komt de koffiecultuur op Java op gang; de export begint in 1711. Het duurt niet lang of ook Suriname en de Franse en
Engelse Westindische bezittingen worden grote koffie-
exporteurs, waartegen Java het, gezien de verre afstand, soms moet afleggen. De vraag naar koffie wordt steeds groter en in de achttiende eeuw worden miljoenen ponden per jaar verbouwd en in Amsterdam verkocht. Arabië, het oorspronkelijke produktieland, is dan betrekkelijk onbelangrijk geworden en voorziet nog alleen het Turkse gebied.
In verhouding met de geschiedenis van de koffie is die van de thee eenvoudiger. Veel langer dan dit bij de koffie het geval is, is China de hoofdproducent gebleven. De thee, die oorspronkelijk in het bergland van de Himalaya en het aangrenzende deel van Zuid-China groeide, moet reeds zeer vroeg in China en Japan in algemeen gebruik zijn gekomen. Het verhaal luidt, dat een Chinese heilige, die een eenzaam kluizenaarsleven leidde, de gelofte aflegde niet meer te slapen, doch zich dag en nacht aan zijn overpeinzingen over te geven. Eens zou hem echter de slaap overvallen hebben. Hierna zou hij zich de wenkbrauwen hebben afgesneden, waaruit toen de theebomen zijn voortgekomen. Na het gebruik van de blaren van deze boom zou hij versterkt zich verder in zijn bespiegelingen hebben verdiept. De zendelingen, in het bijzonder de jezuietenpaters, die in de zestiende eeuw China binnendrongen, beschrijven de thee als in China en Japan in algemeen gebruik. De eerste thee komt tezamen met porselein in 1602 in Nederland aan. Het is echter voorlopig een rariteit, die men alleen als geneesmiddel waardeerde. Langzaamaan wordt de thee echter populairder. Uit het dagboek van de Engelse admiraliteitsbeambte Pepys weten we, dat hij in 1660 voor het eerst thee drinkt. In die jaren wordt de thee ook in Nederland veel geschonken, schonk men thee van het begin af in eigen huis. Het was in het bijzonder een damesdrank. De prijzen ervan waren zeer hoog, zodat aanvankelijk alleen de rijksten zich deze drank konden permitteren. Een merkwaardig propagandist voor de thee was de Nederlander Bontekoe, die in Berlijn hofarts was van de grote Keurvorst. Hij ried het drinken van 50 tot zelfs 200 kopjes thee per dag aan. Wij moeten hierbij met de kleine Chinese theekopjes rekening houden. Vooral van de diuretische werking van de thee was men op de hoogte. De uitvoer van de thee geschiedde in de zeventiende eeuw met jonken van Canton naar Batavia, waar de thee door de Compagnie voor andere produkten werd verruild. Vroeger dan de Nederlanders, die na het Formosa-avontuur met het Chinese gezag niet op al te goede voet stonden, openden de Engelsen de rechtstreekse exporthandel van thee van Canton naar Europa. Thee is in Engeland ook eerder volksdrank dan in Nederland. De Nederlanders volgen in dit opzicht pas na 1730. Voor ons blijft de tussenhandel over Batavia echter altijd belangrijk. Naast Engelsen en Nederlanders nemen zowat alle Europese naties aan de theeêxport deel, zodat men op rede van Canton in de achttiende eeuw vele Europese vlaggen naast elkaar ziet.
Doch ook over land breidt het theegebied zich uit. Groene thee bereikt Rusland over land reeds in 1640. Nadat Rusland in 1689 zijn eerste diplomatieke contact met China heeft gelegd, breidt zich deze handel over land verder uit. Aan de verdeling van het koffie- en theegebruik over Europa kan men nog de oude verhoudingen aflezen. Het Middellandse-Zeegebied en Centraal-Europa zijn koffiegebieden; Engeland en Rusland theelanden, terwijl in ons land beide artikelen naast elkaar worden gebruikt.
De geschiedenis van de chocolade is ook eenvoudiger dan die van de koffie. Hij is niet in die mate een Europese volksdrank geworden als koffie of thee. De oorzaak hiervan is waarschijnlijk gelegen in het feit, dat de stimulerende werking van de theobromine op de geestelijke activiteit geringer is dan die van de cafeïne. Misschien ook, doordat de verwerking van cacao en het bereiden van een smakelijke drank eruit moeilijker is. De Europeaan maakte tijdens de verovering van Mexico in 1519 voor het eerst met de chocolade kennis. Cacaobonen werden in Mexico als ruilmiddel gebruikt; een bewijs, dat de drank die men eruit bereidde, " chocolatti ", chocoladewater, zeer op prijs werd gesteld. De Mexicaan kende de opwekkende en ver-
sterkende werking van de drank; veelal werd de chocolade in Mexico met inheemse kruiden gemengd, waardoor zij zeer sterk van smaak was. De hoogste lagen van de bevolking gebruikten een zuiverder cacao. Cortez, de veroveraar van Mexico, zond reeds spoedig na de verovering cacaobonen naar Spanje.
De Spanjaarden, die in Mexico verbleven, raakten aan het gebruik van chocolade gewend. Ze vonden dat men de smaak kon verbeteren door de toevoeging van suiker of honing. Reeds in de zestiende eeuw werd chocolade in Spanje, in het bijzonder door hen die in koloniën waren geweest, gebruikt. Van Spanje uit drong het verbruik ook door in de streken, die door Spanjaarden werden geregeerd, zoals Vlaanderen en delen van Italië. In het begin van de zeventiende eeuw was de cacaoplant in Europa vrij goed bekend. Clusius beschrijft haar in 1605. In Frankrijk zou het gebruik van chocola zijn geïntroduceerd door de vrouwen van Lodewijk XIII en Lodewijk XVI, die beiden Spaanse prinsessen waren en het gebruik ervan aan het Spaanse hof hadden leren kennen. Meer dan koffie en thee beperkte zich het gebruik van chocolade in het begin tot de hoogste standen. Het gebruik ervan geschiedde in het begin vaak ter bestrijding van ver-
moeidheid. Bontekoe, de zo ijverige propagandist van de thee, ried ook het gebruik van chocolade aan. In Engeland en
Nederland wordt de chocola betrekkelijk vroeg gebruikt. Erg populair wordt de drank er voorlopig niet. Het heet dat de Koning Stadhouder hem gaarne gebruikte, een voorkeur die hij met Napoleon deelde. Beiden waren ijverige en late werkers. Gezien de populariteit van chocolade in de zeventiende eeuw aan het Franse hof, is het begrijpelijk, dat de cacao betrekkelijk vroeg in de Franse Westindische koloniën werd aangeplant; op Martinique in 1697. In de achttiende eeuw wordt hij ook in Suriname verbouwd.
In Nederland is Zeeland een eerste centrum voor de verwerking van cacao, die tot de uitvinding van Van Houten in 1823 niet goed ontvet kon worden, waardoor de bereiding van een behoorlijke chocoladedrank moeilijk was: de Fransen en Spanjaarden kennen eerst alleen waterchocolade.
Het gebruik van nieuwe dranken stelt de gebruiker voor allerlei problemen wat het vaatwerk betreft.
Men volgt hierbij zo goed en zo kwaad als het gaat de gewoonten van het land van oorsprong. Spoedig gaat men veelal de dranken op een andere wijze gebruiken, wat zich weer in het vaatwerk afspiegelt. In Turkije en Egypte werd koffie gemaakt in vrij hoge metalen kannen, die voorzien waren van een lange tuit, die betrekkelijk laag in het bolle of veelhoekige lichaam van de kan uitmondde. De Arabier dronk koffie uit kleine kopjes.
Het is mij niet bekend van welke stof deze werden gemaakt;
misschien van metaal, misschien van aardewerk. Hoewel in de middeleeuwen Perzië reeds veel Chinees porselein importeerde, is het onwaarschijnlijk, dat men alleen uit Chinese kopjes koffie zou hebben gedronken. Merkwaardig is bovendien, dat het kopje in de Arabische landen reeds voorzien was van een
schoteltje. De Chinees kent de gewoonte om het kopje op het schoteltje te plaatsen niet. Dat de Europeanen het gebruik van kopjes van de Arabische landen hebben overgenomen, wordt waarschijnlijk, doordat de woorden tasse (Frans), taza (Spaans), tazza (Italiaans) afgeleid zijn van een Arabisch woord tassa. Europa volgt eerst de gewoonte om koffie in metalen kannen van koper, tin en spoedig van zilver te zetten. Het model ontwikkelt zich uit de Arabische vorm. Als Europees element voert men in plaats van de tuit soms de kraan in. Merkwaardig is dat deze vorm met een kraan (afkomstig van het wijnvat) alleen in
Nederland is blijven hangen. Reeds spoedig worden in China en Japan voor de Europese markt porseleinen koffiepotten gemaakt. Soms maakt men ook kraantjes koffiepotten in Oosters porselein na. De Europeaan gebruikt de koffie warm, vaak met suiker en melk, zodat er ook melkkannen en suikerpotten, eerst veelal van zilver, maar ook spoedig melkkannen van Chinees porselein, worden gemaakt. Voor suiker gebruikte men over het algemeen eerst kandij, welke blokjes in koperen, tinnen of zilveren kommetjes of dozen werden bewaard. De eigenlijke suikerpot voor gemalen kandij of fijne kristalsuiker komt pas later. Spoedig nadat het in Meissen omstreeks 1720 gelukt was goed wit
porselein, dat in kwaliteit voor het Chinese niets onderdeed, te bakken, gaat men er toe over kopjes en schoteltjes, koffiepotten en melkkannen te maken. Weldra komen de eerste volledige koffieserviezen en van dat ogenblik af wijzigt zich de vorm van het koffieservies nauwelijks meer. Hollanders en Engelsen zenden de modellen, waarschijnlijk van hout, van Saksische serviezen naar China, waar men deze serviezen spoedig gaat namaken. Over het algemeen echter is de kwaliteit van de "Chinese
Commande" niet zo goed als die van Saksische voorbeelden.
Hoewel Meissen angstvallig probeert het procédé van het porselein maken geheim te houden, zijn er 40 jaar later in vrijwel alle Europese landen porseleinfabrieken. Niet overal beschikt men in de aanvang over kaolien of porseleinaarde. Men is dan genoodzaakt een soort namaakporselein te maken, het zgn. "soft paste". In Frankrijk gelukte het pas in 1768 echt hard porselein te maken.
In Holland is de oudste porseleinfabriek die van Weesp. Deze fabriek heeft kort bestaan; ze wordt opgevolgd door die van Oud-Loosdrecht, welke weer werd voortgezet door één in Ouder-Amstel. Ook heeft er een Haagse fabriek porselein vervaardigd. Zij decodeerde in hoofdzaak porselein, dat elders werd
gebakken. Hoewel geen dezer fabrieken veel financiële voorspoed heeft gekend, hebben zij porselein van zeer goede kwaliteit afgeleverd, waaronder zeer mooie koffieserviezen.
Thee kwam vroeg in de zeventiende eeuw in Europa tezamen met Chinees porseleinen theepotjes en kopjes en theebusjes, de laatste van tin of van porselein. Schoteltjes werden in China later op speciale bestelling gemaakt. De eerste Chinese kopjes werden niet alleen gebruikt om er thee en koffie uit te
drinken; men gebruikte ze ook voor het drinken van sterke
alcoholica, zoals brandewijn. Voor het zetten van thee waren bijzonder geschikt de kleine rode Chinese theepotjes van hard steengoed boccaro genaamd. De theepotjes zijn zo klein, dat ze slechts voor één of een paar kopjes geschikt zijn. Deze rode Chinese theepotjes zijn al spoedig, in de eerste plaats in Nederland en later ook in Engeland, nagemaakt. Een bekende Nederlandse theepotmaker in het einde van de zeventiende eeuw was Arie de Milde, die echter in Cleffius en Lambertus van Eenhoorn, beiden in Delft, voorlopers had. Deze Nederlandse theepotjes waren ook in Saksen bekend en dienden Böttgern
uitvinder van het Saksisch porselein, als voorbeeld voor zijn hardstenen theepotjes, de eerste en beslissende stap op het gebied van de Saksische porseleinfabricage. Naast theepotjes van rood steen kende men in China en Japan ook porseleinen theepotten. De Chinese voorbeelden bepaalden de vorm zowel van de zilveren theepotjes, die in het einde van de zeventiende eeuw in verschillende Europese landen werden gemaakt, als van de eerste theepotten van Saksisch porselein. Evenals dit met het koffiegerei het geval was, gaat Saksen complete thee-
serviezen maken bestaande uit kopjes en schoteltjes, theepot, spoelkom om theepot, theebus en theekop om te spoelen, melkkan en suikerpot, en onderschaaltjes voor theepot en melkkan. Deze fraai beschilderde theeserviezen waren zeer kostbaar en werden vaak in speciale leren etuis verpakt. Spoedig gaat men er toe over om kleine koffie-en theeserviezen, bestemd voor een of twee personen te maken. Voor personen met beverige handen
maakte men schoteltjes met een speciaal randje, waarin het kopje stond, de zgn. "trembleuses". China volgde in de achttiende eeuw deze Europese mode op de voet en maakte voor de export spoedig thee- en koffieserviezen, veelal voorzien van de wapens van de Europese bestsellers.
Serviezen met de wapens van verschillende Nederlandse families zijn bekend. Deze Chinese kopieën werden op hun beurt weer door Europese fabrieken o.a. Engelse nagemaakt. Het is verrassend hoe groot de uitwisseling, op keramisch gebied tussen Europa en China en Japan in de achttiende eeuw is geweest. Voor de liefhebbers en verzamelaars vormt het een bij uitstek interessant studieterrein.