MOSSELS                                                   

 ==================                   

Een erg grote dierengroep, één der grootste zelfs, is in de dierenwereld deze van de weekdieren. Men noemt ze ook wel schelpdieren, maar heel correct is dat niet, omdat er ook tal van weekdieren geen schelp bezitten. Het is een grove fout de weekdieren aan te duiden met de naam schaaldieren, een totaal andere dierengroep waartoe de kreeften behoren.                

De hele weekdie­rengroep omvat niet minder dan 115.000 soorten, waarvan zowat 80.000 een schelp hebben.

 

2

Weekdieren verschillen erg van elkaar: zo zijner slakken met en zonder huis, tweekleppige weekdieren als de mos­sels en de meeste van onze strand­schel­pen, en zo zijn er de inktvissen, die wel erg afwijken van het ver­trouwde beeld dat wij van weekdieren hebben.                                             

De naam weekdieren is tref­fend gekozen, want ze hebben een erg week lichaam, dat door de meeste wordt opgeborgen in een stevige kalkschaal. Van de weekdieren, die geen schelp hebben, hadden de verre voorou­ders er wel een, die in de loop van hun ontwikkeling verdween.                                 

 Meestal is het zo, dat we de dode schelp van een weekdier vrij goed kennen en herkennen, maar dat we van het leven en de ontwikke­ling van het weekdier zelf bitter weinig of niets afweten.

Na hun dood blijven de schelpen achter en kunnen ze op bepaalde plaatsen schelpenbanken vormen. Op bepaalde plaat­sen in de Oosterschelde kun je ze wel eens tegenkomen.  

                 

HET WERKWAARDIG LICHAAM VAN DE MOSSEL

                           -------------------------------------                          

Op het eerste zicht lijkt er aan een mossel niet zo veel te bespeuren. Krijgen we de schelphelften van een le­vende mossel open, dan lijkt het hele geval een hoopje glibberig slijm en komt hij gekookt op ons bord, dan ziet hij eruit als een zonderling, verkreukeld vleesdotje met een paar gele lappen en een donker paarsbruin knobbeltje.                              

Toch is de mossel meer dan dat !                               

 Als we de mossel verge­lijken met andere dieren, is hij zo ongewoon gebouwd dat we er nog kop, noch staart aan krijgen.   

Het best nog kunnen we de bouw van een mossel vergelijken met een boek: de harde, kalkschelpen vormen de kaft en binnenin zitten de bladen. De vlezige bladen die tegen de schelphelften aanliggen heten de mantel. De rand van de mantel is een soort gekartelde witte franje, die we vaak te zien krijgen als de mossel gaapt. In de mantel liggen de kliertjes die de schelp opbouwen en ieder jaar een randje aan de schelp bijbouwen.      De mantel omhult eigenlijk het hele mossellichaam. Het volgen­de paar bladen van ons "mosselboek"  zijn de kieuwen  .        

Ze zijn merkwaardig omdat ze ademhalen en eten tegelijkertijd.  Het binnenste van het boek en ook het dikste blad wordt ge­vormd door de ingewandenzak en door de voet. Bij de meeste weekdieren is die voet zeer belangrijk; bij de mossel, die een zittend leventje leidt, is hij maar een dun en wormachtig aanhangsel. Toch is het een wonderlijk orgaan, want het draagt een soort spinklier waarmee de draden gesponnen worden die dienen om de mossel te verankeren op zijn zitplaats.           

Deze noemen we BYSSUSDRADEN.

 

 

HOE DE MOSSEL EET                                           

    -----------------                                              

De kieuwen die de zuurstof uit het water halen, spelen bij de mossel ook een grote rol bij de opname van het voedsel. Onder water opent de mossel geregeld beide schelphelften, een klein stroompje zeewater spoelt dan tussen de fijne draderige kieuwen. Wat zuurstof wordt uit het water opgenomen, maar talloze microscopische wezentjes als algen, wieren en ééncel­lige diertjes blijven tussen de kieuwen achter. De trilhaartjes leiden de voed­sel­deeltjes naar de mond. Het aan voedsel- en zuurstofarme water wordt via de uitlaatfon verwijderd. Gemiddeld filtert de mossel 1,7 liter water per uur, maar in bij­zondere onstandigheden kan dat tot 4,6 liter per uur worden. Het is dan ook te begrijpen dat een mossel die voortdurend onder water zit, tamelijk hard

groeit.

Omdat gedurende de zomermaanden grote aantallen flagelaten kunnen voorkomen die nadelig kunnen zijn voor de mens en omdat de mossel dan erg mager is (al zijn reserves zijn opgebruikt voor de voortplanting) , wordt de mossel in dit sei­zoen best niet gegeten.                                                  

Eventjes nog een misver­stand verduidelijken: het donkergroene gevulde bui­kje bij een gekookte mossel zijn niet de uitwerp­se­len van de mossel, maar zijn talloze groene wiertjes die klaar zitten om verteerd te worden en die voedzaam zijn en zelfs vitaminen bevatten.  

                                           

VAN EI TOT MOSSEL  

 

Heel wat weekdieren zijn tweeslachtig, d.w.z. ze zijn mannetje en wijfje tegelijk en ze produceren zowel zaad­cellen als eicellen. Dat is niet het geval bij de mossel. Er zijn mannelijke en vrouwe­lijke mossels. Al lijken ze als twee druppels water op elkaar, toch zijn de manne­tjes makke­lijk van de wijfjes te onderscheiden wanneer de gekookte mossels op ons bord liggen. Heeft de mossel een witte tot lichtgele mantel, dan is het een mannelijk exemplaar; is de mantel dooiergeel tot oranjerood, dan heb­ben we het te doen met een wijfje.

      

Langs onze kust heeft de voortplanting van de mossel plaats in de maanden april/mei. Een volwassen mossel legt ongeveer twaalf tot vijfentwintig mil­joen eieren per seizoen. De eieren worden gewoon in de zee uitgestoten en moeten daar bevrucht worden door een rondzwevende zaadcel die door de mannetjesmos­sel ook zomaar de zee ingestuurd wordt. De kansen van bevruchting worden echter vergroot doordat het aantal eicellen en zaadcellen zo enorm groot is en doordat enorme aantal dieren in dezelfde periode hun geslachtsproducten vrijmaken.          

Dit gebeurt waar­schijnlijk onder invloed van de maanstand en is tegelijkertijd afhankelijk van een temperatuursverhoging in het water. Het aantal mossels dat langs de kusten voorkomt kan ook enorm groot zijn. Zo heeft men berekend dat in de Wadden­zee tussen het eiland Terschel­ling en de Friese kust, ongeveer 70 miljoen volwassen mossels zitten en wel 500 miljoen jonge exemplaren. Het is dan ook best te begrijpen dat deze toeval­lige bevruchting in zee mogelijk wordt.                        

Uit de bevruchte eicel ontstaan de larven die tot jonge mos­seltjes worden en die door de zeestromingen vervoerd worden tot ze een grootte van 0,2 tot 0,3 mm hebben. Deze zakken dan naar de bodemen kruipen rond tot ze een geschikt plaatsje gevonden hebben om zich vast te spinnen. Het liefst zoeken ze een veilig plaatsje op tussen oudere mosseltrossen, in holten van dijken, tegen staketsels enz., waar wiertjes of ander draadvormig materiaal groeit, om zich in het begin op vast te zetten. Deze eigenschap wordt gebruikt om jong mosselbroed op een kunstmatige manier te verzamelen op uitgerafelde nylondra­den. Hier groeien de mosseltjes tot ze ongeveer 1 tot 2 mm groot zijn. Dan verhuizen ze. Hoe juist weten we nog niet precies, misschien wel gewoon door de zeestromingen.           

Sommige zoölogen beweren wel dat ze een gasbel produceren en zich hiermee zouden laten voortdrijven. Hierna zoekt de jonge mossel een plaatsje om wat langer te blijven, terug de voorkeur gevend aan "nissen". Met de voet van het dier, die uit de schelp gebracht wordt en waarop ze zich trouwens verplaatst bij het zoeken naar haar plaats, spint ze zich vast.           

Een kleverige stof wordt door een soort spinklier afgescheiden  deze verhard bij het in aanraking komen met zeewater en vormt de bekende byssusdraden waarmee het dier werkelijk stevig vastgehecht zit, zodat zelfs een sterke golfslag de dieren moeilijk terug loskrijgt. Tenzij ... de mossel bedekt zou worden door een laag slib of zand: dan maakt ze zich zelf vrij en verhuist opnieuw. 

                                           

VERSCHILLENDE MOSSELSOORTEN OF NIET ?

 

 Zoeken we mossels tussen de stenen van de mosselbank, dan kan de vorm van de schelp vrij verschillend zijn. Er zijn mossels met een langwerpige ovale schelp en via allerlei tussenvormen vindt men ook mossels met een korte dikke schelp. Vroeger dacht men met verschillende mosselsoorten te doen te hebben. Nu weet men dat de vorm van de schelp verband houdt met de zitplaats van de mossel. In stil, rustig water bouwt de mossel een lange slanke schelp. Zit de mossel waar het water woelig is, dan heeft hij een korte dikke schelp. In woelig water of in de branding bestaat de kans dat een lange fijne schelp makkelijk wordt stukgeslagen en de mossel beveiligd zich hiertegen met de bouw van een korte, meer stevige schelp. 

  

OOK MOSSELS HEBBEN VIJANDEN   

 

 Het lijkt onwaarschijnlijk dat mossels, die zo veilig in hun stevige schelp zitten opgesloten, nog vijanden kennen die het op hun leven voorzien hebben. We weten zelf hoe smakelijk mossels zijn en blijkbaar zijn er heel wat andere wezens die er net zo over denken. De mossel staat op het menu bij heel wat strandvogels. Meeuwen trachten de mossel met de stevige snavel stuk te knijpen of nemen de mossel mee hoog in de lucht en laten hem vallen om de schelp te verbrijzelen.              

Andere pientere knapen zoals de scholekster slaan de mossel tegen stenen om hem stuk te krijgen. In het water zijn de krab en de kreeft vijanden nummer één. Met hun krachtige scharen proberen ze de mosselschelp door te knijpen of trachten ze tussen de schelphelften naar binnen te wrikken. De purperslak is echter de sluwste vijand. Met haar fijne harde rasptong boort ze of raspt ze een gaatje in de mosselschelp,precies op die plaats waar binnenin de stevige sluitspier vastzit. Op deze wijze wordt de spier in tweeën gezaagd en kan de mossel niet anders meer dan wijd gapen.                               

Ook de zeester is een geducht rover. Deze omklemt de mossel net zolang tot de sluitspier vermoeid raakt en ontspant.       

De zeester brengt dan haar maag in de mossel en verteert daar het mosselvlees.  

                                             

MOSSELS ZIJN EEN LEKKERNIJ  

 

 Mossels worden tegenwoordig machinaal gekuist. Je dient dan nog wel de achtergebleven baardjes te verwijderen. Neem de mossels stuk voor stuk in de hand en probeer of je de twee helften van de schelp over elkaar kunt schuiven. Zo niet dan is de mossel goed , sluitspieren van de levende mossel houden de schelp goed gesloten. Zo ja, dan is de mossel dood en dode mossels moet je weggooien. Mossels met kapotte schelpen worden ook weggedaan. Borstel de schelpen goed schoon en was ze in een grote teil met liefst stromend water of ververs het water enige keren, zodat er absoluut geen zand in de mossels achterblijft.  

 

naar nic