OVER ETEN EN DRINKEN IN NEDERLAND IN DE 17e EEUW

 

Om met VAN DER SCHELLING te spreken (1732):

"Zijn er, die de Displechtigheden gering en voor beuzelingen houden, wij spreken niet tegen, mits dat ze ook bekennen, dat we genoodzaakt zijn tot het bedrijven en plegen van zulke beuzelingen ons dagelijks te verledigen: en dat zodanig beuzelingen van het nemen van spijs en drank dus onvermijdelijk, en zo nodig zijn, dat we zonder die beuzelingen hier niet blijven konden 't geen we zijn, dat is, levende schepsels."

De 17e eeuw, in Nederland de Gouden Eeuw genoemd, staat bekend als een glorierijke tijd waarin grote rijkdommen werden verzameld. In het algemeen heerst echter een verkeerde indruk over deze zogenaamde Gouden Eeuw. Slechts weinigen profiteerden van de welvaart; voor de meeste anderen heerste armoede. Wij moeten dus wel bedenken dat naast de welgedane figuren op de schuttersmaaltijden, bittere armoede heerste en mensen van honger stierven. Het aantal ondersteunde armen te Amsterdam bedroeg in 1616 op een bevolking van 110.000 personen, 2500 huisgezinnen of 16.000 personen. Met de armenbedelingen had men nog vooral eigen welzijn na de dood op het oog. Men vergeet maar al te vaak dat er een achtergrond van ondragelijke ellende was, waar­tegen zich de glans van deze eeuw aftekende. Grote schilders stierven in armoede, b.v. FRANS HALS, REMBRANDT, hetgeen overigens niets zegt omtrent de welvaart in het land, doch wel van de onvoldoende smaak van het publiek.

De geneeskunde in de Nederlanden stond in de 17e en 18e eeuw in hoog aanzien in de wereld, dankzij mannen als HEURNIUS, PETER VAN FOREEST, TULP, RUYSCH VAN LEEUWENHOEK, DE LE BOË SYLVIUS, BOERHAAVE. HEURNIUS was in 1636 te Leiden reeds begonnen met onderwijs aan het ziekbed.

Gedurende de 17e eeuw was oorlog de gewone, bijna normale toestand.

De toestand van verscheidene kleine boeren was zeer armoedig. Door korengebrek ontstond vaak voedseltekort, zodat van het jaar 1621 b.v. geschreven wordt dat in Drenthe velen van honger stierven. Geweldige overstromingen en veeziekten behoorden tot de rampen die grote invloed hadden op de

voedselvoorziening.

Zeer hoge graanprijzen, b.v. in 1662, vormden een deel der oorzaken van oproer en plunderingen. De armen te Amsterdam, waar in 1664 de pest woedde, konden op noodmunten goedkoper brood krijgen. Talrijke duurte-, dus schaarsteperioden, kwam "de schamele gemeente" niet zonder "grote smarte" door.

Ondanks de grote ontwikkelingen in de helft van de 17e eeuw, zoals het droogmalen der plassen, het bouwen van stenen in plaats van houten huizen in de steden, van prachtige stadhuizen, snelle ontwikkeling van de handel en bloei der Oost-Indische Compagnie, heeft op vele plaatsen naast de weelde bittere armoede bestaan. Doch ook in de tweede helft der eeuw wordt herhaaldelijk melding gemaakt van voor de massa der bevolking slechte en moeilijke tijden. De geschiedenis heeft zich weinig aan het lot van het eigenlijke volk laten gelegen liggen, afgezien van een enkel hier en daar vermeld feit. De beschrijvingen van de vroegere toestand zijn onvoldoende.

De godshuizen in Nederland, waar bonen, erwten, gort en rogge­brood het hoofdbestanddeel der voeding waren, hadden de naam dat ze de kinderen te weelderig verzorgden. DE BOSCH KEMPER concludeert hieruit dat het vlees onder de lagere klassen zeer weinig gegeten werd.

 

naar nic