OVER OPBERGEN, BEWAREN EN INMAKEN,PRIVATE
OVER DOZEN, MANDEN, ETUIS, TROMMELS EN POTTEN
_____________________________________________
We leven in een tijd, waarin de taak van de huisvrouw aan
sterke veranderingen onderhevig is. Natuurlijk zijn er in
iedere huishouding nog veel dingen, die moeten worden opgeborgen. Bewaren in de zin van lang behoeden voor bederf komt echter steeds minder voor, terwijl inmaken, het door toevoegen van zout of suiker verduurzamen van levensmiddelen, in de meeste huishoudingen nauwelijks meer wordt toegepast. Deze veranderingen zijn begrijpelijk; bewaren raakt uit de tijd. Allerlei voorwerpen uit ons dagelijks gebruik kunnen nu zonder al te grote kosten gemakkelijk vervangen worden. Bij een snel wisselende mode is bewaren van kleren ook al niet meer erg zinvol en het conserveren van voedsel laat men begrijpelijkerwijze veiligheidshalve maar liever aan de deskundigen over.
De tijd van bonen uit het zout of boter uit de pot is voorbij, hoewel de ouderen onder ons deze nog wel zullen herinneren. Op zich zelf bracht deze inmaak een zekere romantiek mee en ook wel het veilige gevoel in eigen kelder voldoende levensmiddelen te hebben. Maar hoe zout werden de bonen en hoe sterk de boter aan het einde van het seizoen.
Met de verschuivingen op het gebied van de huishouding is er ook een belangrijke verschuiving opgetreden in de voorwerpen, die tot welke vorm van bewaren ook dienden. De huizen onzer grootouders waren nog vol mandjes, trommels en potten, die nu reeds zeldzaam worden.
Jammer, want al deze voorwerpen, ambachtelijk gemaakt als ze waren, vertegenwoordigden een stuk volkskunst, welke vrijwel spoorloos is verdwenen. Kostbare voorwerpen bewaart men; doosjes en mandjes gooit men weg.
Om met de inmaakpot te beginnen. De inmaakpot moet voor alles robust en stevig zijn, een passende inhoudsmaat hebben en uit ondoorlaatbaar materiaal bestaan. Gewoon aardewerk is te poreus; door haarscheuren in het glazuur zal het vocht of vet in de zachte scherf binnendringen en deze op de duur verwoesten. Let maar eens op, hoe een aardewerk botervlootje na een aantal jaren er gaat uitzien. Vandaar dat inmaakvaten steeds uit hard steengoed bestaan, bedekt met een dunne laag zoutglazuur, het zogenaamde Keulse aardewerk. Dit Keulse aardewerk wordt bij hoge temperatuur gebakken en is bijzonder resistent tegen bijtende vloeistoffen. Voor inmaakvat is het zeer goed geschikt. Het Keulse aardewerk heeft al een lange geschiedenis achter zich? Het gaat terug tot de Middeleeuwen.
De artistieke bloeitijd van dit aardewerk ligt in de 16e eeuw en de eerste helft van de 17e eeuw. Later wordt het door het porselein van de tafel verdrongen, maar handhaaft zich door zijn bijzondere kwaliteiten als bergpot in de kelder. Deze pot is van 1758, hij loopt naar beneden nog betrekkelijk spits toe en is met kobaltblauw onder het glazuur aan de bovenrand versierd.
Veel uitvoeriger is de versiering op een tweede midden 19e eeuws exemplaar.
De voorkant van deze pot is volgens een vrij ingewikkeld
patroon blauw geschilderd, terwijl insnijdingen het decor nog beter doen uitkomen. Men zal zich afvragen, waarom een inmaakpot zo uitvoerig versierd is. Ik vermoed, dat de dames zo nu en dan elkaars kelder kwamen inspecteren en dat mooie potten daarom gewenst waren. Daarbij komt, dat de handwerker zelden kan nalaten het door hem gemaakte voorwerp een eigen versiering te geven.
Van potten naar trommels. Een trommel is een hoed sluitende doos van blik. Is de trommel cilindervormig, dan noemt men haar een bus. Iets moet sluiten als een bus. Inderdaad is het dienstig dat bussen en trommels goed sluiten, want in beiden bewaart men vaak hygroscopische levensmiddelen. Een uitzondering vormt de broodtrommel, die juist vaak gaatjes heeft om het warme brood te laten uitwasemen. Blik is een dunne uitgewalste ijzeren plaat, die om roesten tegen te gaan bedekt is met een dun laagje tin, een enkele keer slechts met een laagje verf of lak. Pas in de 18e eeuw leert men ijzer zo dun uit te walsen dat blik ontstaat. Tegen het einde van de eeuw komt dan ook de blikslager op. De 19e eeuw is de tijd van de mooiste blikken trommels.
Ouder dan blikken trommels zijn koperen trommels. Koper laat zich beter dan ijzer platen. Koper moet echter voortdurend worden geschuurd of gepoetst.. Bovendien tast het snel de smaak en geur van de daarin bewaarde levensmiddelen aan.
De 19e eeuw kent vele vormen van trommels. Ook documenten
bewaarde men graag in een blikken trommel. De effectentrommel is ook nu nog niet uitgestorven! Was de trommel voor het gebruik in de huiskamer bestemd, dan kreeg zij een sierlijk uiterlijk en werd het blik door schilderen of lakken aan het gezicht onttrokken. Een typisch voorbeeld hiervan de 19e eeuwse blikken koekjestrommel. Koekjestrommels werden over het algemeen per stel gemaakt; een voor zoute en een voor zoete koekjes. Er bestonden ook beschilderde dozen voor tabak.
De doos onderscheidt zich over het algemeen van de trommel doordat haar wand niet van metaal is, maar van papier, karton of dun hout. Is het hout dikker, dan spreekt men van een kist. De doos heeft een lange geschiedenis achter de rug. Op de oudste afbeeldingen, die we van Europese interieurs hebben, dus uit de late middeleeuwen, ziet men zeer spaarzaam gemeubelde vertrekken, waarin vaak een bed en een kist; verder een plank hoog langs de wand, waarop allerlei dozen en doosjes. Kruiken hing men aan klampen in de muur. De oude dozen zijn meesttijds rond of ovaal. Men boog namelijk een zeer dunne houten plaat tot de uiteinden elkaar raakten en bevestigde deze uiteinden aan elkaar met houten pluggen of vlocht riet of pees door gaatjes aan de uiteinden. Bodem en deksel werden oorspronkelijk ook met houten pluggen aan de spanen wand verbonden. De doos had dus geen enkel metalen onderdeel, hetwelk goedkoop was. Bovendien praktisch: smeedijzeren spijkertjes roesten snel.
Indien men een dergelijke oude doos bekijkt, vallen allerlei aardige details in de constructie op. Telkens heeft de handwerksman bovendien van een technische oplossing een versieringselement gemaakt, is zeker van Nederlandse oorsprong. Door een inscriptie aan de binnenzijde is zij te dateren op de tweede helft van de 18e eeuw.
De zijkant is van gebogen beukenhout, bodem en deksel bestaan uit dunne vurenhouten plankjes. Bodem en deksel zijn in de kleur van een meer edele houtsoort geverfd. Typisch zijn de dozen, waarbij het gebogen gedeelte niet uit een bouten spaan, maat van walvisbalein is vervaardigd. Ze werden vooral op de Waddeneilanden gemaakt in de tijd van de walvisvaart. In beide gevallen zijn bodem en deksel van eikenhout. Bij de ronde doos is het deksel zeer fraai gesneden, bij de andere is de versiering in het balein ingekrast. De twee einden van het gebogen balein zijn bijzonder kunstig aan elkaar gevlochten met behulp van pezen. Het balein is met koperen spijkertjes aan bodem en deksel verbonden. Deze baleinen dozen zijn bijzonder fraai en kunstig gemaakt. Jammer genoeg zijn ze zeer zeldzaam geworden. Veel vaker ziet men in ons land nog spanen dozen, waarbij een dunne spaan van vurenhout is rond gebogen. Deze dozen zijn vrijwel altijd ovaal en zijn vaak met helle kleuren beschilderd. Hun plaats van oorsprong is het Oostzee gebied. Vooral vanuit Riga zijn ze in de 18e en 19e eeuw in grote aantallen in Nederland ingevoerd. De kleding van de erop afgebeelde figuren maakt het waarschijnlijk, dat de doos in het begin van de 19e eeuw vervaardigd is. Bij sommige dozen wordt het deksel door een verend stukje hout op zijn plaats gehouden. Dergelijke dozen werden veel voor het bewaren van rijst, gort, erwten en bonen gebruikt. Deze doos is waarschijnlijk 19e eeuws. Het kleine ronde doosje is vermoedelijk van Nederlandse oorsprong. Het is van buiten met een stermotief beschilderd en van binnen beplakt met grijs papier. Het is gebruikt voor het opbergen van linten. Typisch is ook de houten tabakspot met schroefdeksel (" 1780). Waarschijnlijk is dit noord-Nederlands werk. De 18e eeuw kende ook reeds kartonnen doosjes. Feitelijk is het materiaal geen karton, maar op elkaar geplakte lagen papier. Van binnen en van buiten zijn dit soort van 18e eeuwse doosjes vaak beplakt met alleraardigst bont met bloemmotieven bedrukt papier. Ze werden over het algemeen voor het opbergen van galantieriën gebruikt, o.a. doekjes en mutsen.
Het vlechten van manden en mandjes behoort tot de allereerste uitingen van de menselijke beschaving. Het alleroudste vaatwerk bootst vaak mandwerk na. Mandwerk is zeer vergankelijk, zodat van oud vlechtwerk slechts heel weinig is overgebleven. Een uitzondering vormt Egypte, waar het droge klimaat allerlei anders zeer vergankelijke voorwerpen voor ons heeft geconserveerd. Fraai mandwerk ziet men vaak afgebeeld op de schilderijen van de Vlaamse en Noordnederlandse primitieve schilders. Onze taal laat ook nog zien, dat vroeger veel mandwerk werd gebruikt: luiermand, sleutelmandje, broodmand.
Grappig is dat men zilveren broodmanden kent. Het langste heeft de wasmand standgehouden, maat ook deze dreigt uit te sterven. Merkwaardig genoeg is er daarnaast een opleving van klein mandwerk, gedeeltelijk uit Oost-Azië afkomstig. Fijn oud mandwerk laat echter zien, hoe ver we op dit gebied achteruit zijn gegaan. Ook schilpad werd graag gebruikt om doosjes, b.v. lepelkistjes, van te maken. De luiermanden uit de 18e eeuw waren versierd met ingevlochten motieven en gekleurde draden.
Het middelste is een sleutelmandje (de 19e eeuwse huisvrouw droeg over het algemeen een zware sleutelbos bij zich).
Van de andere twee is het gebruik onbekend.
Voor de 2e helft van de 19e eeuw is de grote boodschappenmand met dubbele klep typisch. Hiermede ging de dienstbode naar de kruidenier om inkopen te doen. een Chinese bemande theepot weer. De theepot met "Canton" versiering dateert uit het allereerste begin van de 19e eeuw.
De bewerking van leer is zo oud als de menselijke beschaving zelf. Al uit de middensteenstijd zijn talloze vuurstenen schrappers bewaard, die gebruikt moeten zijn bij de bewerking van huiden. Leder is in het verleden voor zeer veel doeleinden gebruikt. Wijn werd in leren zakken bewaard ("nieuwe wijn in oude lederen zakken", Mattheus 9:17). Ook de koffer behoort van leer te zijn, evenals onze portemonnaie en portefeuille. Een ander voorbeeld is de lederen tabakszak. Leer wordt ook gaarne voor het maken van étuis gebruikt. Etui is een romaans woord, dat van het begrip "bewaren" afkomstig is. Thans verstaat men er een doos of doosje onder, waarin een aantal bij elkaar behorende voorwerpen op een vaste plaats t.o.v. elkaar worden bewaard. Het is vaak van leer of met leer bekleed. Leder is nogal vergankelijk, zodat er van oud leerwerk in hoofdzaak slechts boekbanden over zijn. Een uitzondering vormt het lederen étui . Dit étui, een met leer bedekt plat doosje is van binnen met rode wollen bekleed. Het is gemaakt om een twaalftal vroeg 18e eeuwse zilveren messen met heften van
St. Cloud porselein te bevatten. Het étui, waarvan het leer op kunstige wijze is gestempeld, kan door de inhoud vrij nauwkeurig worden gedateerd.
Evenals eens in Europa kende en kent ook nu nog het Chinese en Japanse huis opvallend weinig meubels. Voorwerpen werden en worden opgeborgen in dozen van allerlei formaat. In China en Japan heeft men de techniek van het lakken ontwikkeld. Men gebruikt hiervoor een soort plantensap, dat verwant is aan de rubber en dat, blootgesteld aan de lucht, hard wordt. Door menging met kleurstofpartikels of stukjes paarlemoer of metaal kan men bij het lakwerk allerlei effecten bereiken. Bij het lakken wordt het voorwerp achtereenvolgens met verschillende dunne laklagen bedekt, die telkens gedeeltelijk worden weggeschuurd. Soms zijn er op een dikte van enkele millimeters twintig laklaten over elkaar. Lak geeft het voorwerp een grote resistentie tegen klimaatinvloeden. Zeer oude gelakte voorwerpen zijn bekend, maar de meeste voorwerpen, die men in Europa ziet, dateren van de 17e, 18e en 19e eeuw.
Hoeveel in de loop van de tijden zeer veel lakwerk, vooral uit Japan, naar Europa is uitgevoerd, is in tegenstelling met het porselein de invloed van de Europese smaak op het oosters lakwerk gering geweest, ofschoon er wel degelijk "lak de commande" bestaat.
Zo bevindt zich in het Victoria en Albert Museum te Londen een prachtige lakdoos gemaakt voor Maria van Diemen, de vrouw van een gouverneur-generaal van de Oost-Indische Compagnie (1595-1645). Met moeite heeft hier de Japanse artist de voor hem onbegrijpelijke Romeinse karakters van de naam van Diemen in lak veergegeven. In de 17e eeuw werden ook Chinese dozen gemaakt in rode lak die dienst deden als kooi voor krekels, deze waren dan ook voorzien van getraliede openingen. De deksel pasten bij het doel en waren voorzien van een mooi landschap. In de 18e eeuw werden in Japan dozen vervaardigd voor het bewaren van kimono's en deze werden gesloten met een katoenen koord. Een heer en dame in fraaie kleding, uitgevoerd in paarlemoer verfraaide het deksel. Die tijd werden in Japan ook schrijfdozen gemaakt. Ze bevatten een compartiment voor Oost-Indische inkt, een waterreservoirtje van koper en een bakje voor penselen. Op het deksel staat een typische voorstelling " twee geleerden, die naast elkaar wandelend een tekst lezen. Deze voorstelling is eveneens in paarlemoer met lood op een fond van rood en gouden lak.
Vroeg 19e eeuws is een uiterst kunstig doosje in de vorm van een hoofd gemaakt; een meesterstuk van techniek.
Op dezelfde afbeelding ziet men een Japanse doosje voor geneesmiddelen. Het bestaat uit 6 precies in elkaar sluitende bakjes die met een koordje zijn aaneengeregen. De bezitter ervan kon op deze wijze in een kleine ruimte 6 verschillende geneesmiddelen meenemen. Jammer, dat wij in deze tijd, nu vrijwel iedereen te veel geneesmiddelen slikt, niet meer over zulke fraaie doosjes voor onze tabletten beschikken.
De laatste afbeelding past bij deze tijd van het jaar. Het er op afgebeelde voorwerp is een doos voor de Japanse nieuwjaarsceremonie. De drie er op afgebeelde toneelspelers dragen de verschillende passende emblemen op hun kleding, o.a. de zeeschildpad, het teken van het lange leven. De doos is ook uit verschillende segmenten opgebouwd, die oorspronkelijk waarschijnlijk gevuld zijn geweest met passende lekkernijen.
Zo zijn we bij ons uitgangspunt, het bewaren van voedsel,
teruggekeerd. Onze tijd heeft wat het bewaren van voedsel betreft een enorme vooruitgang gebracht. Jammer genoeg is dit gepaard gegaan met een duidelijke verarming op het gebied van artistiek handwerk. Het schijnt nu eenmaal altijd zo in de menselijke ontwikkeling te zijn, dat het verwerven van iets nieuws ten koste van verlies op ander terrein gaat.
Laten wij hopen, dat als volgende generaties de balans van onze tijd opmaken, de winst groter zal zijn geweest dan het verlies.