PARELS
Kanenpieper, voor jou alleen het allermooiste. Ik wil je een oester bereiden zachtjes als zalf, en ik garandeer je met onverklaarbare redenen dat iedereen dat lust. De oester, bekend om haar heerlijk voedzaam vlees, open ik met een mesje.
Ik snij de sluitspieren door zodat de kleppen openen. Het wit vocht moet in de schelp blijven, daarom gebruik ik de bolle kant.
Deze oester leg ik één minuut onder de salamander, juist genoeg om ze op te warmen. Daarop drapeer ik een Hollandse saus en weerom gaat deze lekkernij onder de salamander. Ik gebruik citroen noch peper.
De saus moet voldoende zijn om de oester tot haar recht te laten komen.
Nooit zal ik voor jou een parel ontdekken tijdens de maaltijd want de parels in de oesters komen voor in Ceylon, de Rode Zee, de Golf van Perzië en de Soenda Zee.
Maar er is sprake dat de pareloester wordt ingevoerd als délicatesse en curiosum in exclusieve restaurants. Zodra ik iets meer weet gaan we weer op ontdekkingstocht uit en de eerste parel is voor jou.
Er zijn vanouds vele fantastische theorieën in omloop geweest omtrent het ontstaan van parels. Dat komt ook omdat er zoveel verschillende zijn: bolvormige, eivormige, ovale, peerachtige, onregelmatige vorm met bijhorende namen, parels met inhoud en daarbij veelkleurig.
In werkelijkheid bestaat een parel uit koolzuurkalk, een heel simpele verklaring want de parelmakers zijn bij uitstek de tweekleppigen
(Lamellibranchiata), een klasse van weekdieren waartoe de mosselen,
St. Jacobsschelpen en oesters behoren. De echte pareloester is van het geslacht Pinctada, vroeger ook Maleagrima genaamd.
Het weekdier is langs buiten helemaal omgeven door een tweedelige schelp, waarvan beide helften door een scharnier worden samengehouden. De schelp bestaat uit een hoornlaag met aan de binnenzijde een koolzure kalk die bij vele soorten nog een prismalaag heeft, een paarlemoerlaag.
Tegen de binnenkant van de schelp rust een mantel die het dier omhult en die de schelp vormt. Op het binnenvlak is er een mantelholte en een ingewandenzak, die uitloopt op een stevige voet voor het kruipen en graven.
Een kop heeft hij of zij niet; wel kieuwen.
Elk weekdier dat een schelp bezit is in principe in staat een parel te maken. Het is een reactie van het dier op een vreemd voorwerp dat in het lichaam is gekomen en dit kan op vele plaatsen zijn.
De vreemde voorwerpen kunnen op natuurlijke wijze in het weekdier terecht komen, zoals steentjes, kleine krabjes, aaltjes en zelfs visjes. Het kan ook kunstmatig ingeplant worden. De Japanners waren hierin de specialisten. Het weekdier zet er een laagje op af van de substantie waarvan de schelp is gemaakt.
Sommige zoetwater mosselen hebben een kleurrijke paarlemoer.
Een doopvontschelp geeft een iets grotere parel, een duivenei groot.
Maar alleen de weekdieren die hun schelp van binnen met paarlemoer bekleden brengen echte parels voort, al dan niet kunstmatig. Een voorbeeld ervan is de mikamotoparel die in Japan wordt gekweekt.
De meeste en fraaiste parels zijn afkomstig van de Perzische Golf, Ceylon, de Indonesische Archipel, Australië en West-Amerika.
Vroeger ving men honderden exemplaren die dan tevergeefs geopend en gedood werden. Per jaar en per gebied zo'n veertig miljoen weekdieren. Nu worden deze met röntgenstralen doorgelicht.
De eerste experimenten met het kweken van parels dateren van 1893. De AMA's, vrouwelijke beroepsduikers, visten de oesters op. Tegenwoordig worden de oesters van drie jaar, die in manden gekweekt werden, naar boven gehaald. Met een scalpeerpen lanceert men een klein bolletje gedraaide
mosselschelp in het vlezige gedeelte. Dan worden de oesters opnieuw drie jaar
opgehangen in die manden van bamboe, hout of plastiek, en de parel kan aangemaakt worden.
Een volgroeide parel bestaat uit meer dan 1000 laagjes. Niet de helft van de parels zijn echte sierraden.
De waarde van een parel wordt bepaald door de vorm, de grootte en de kleur, die varieert van crème, rosé, zilver, goud, groen, blauw tot zwart.
Een vrouw die haar hals siert met parels, die 7 mm doorsnee hebben, de grootte van een erwt, is 2500 euro meer waard.
Sinds de oudheid zijn de parels zeer gewild; ongelukkiger wijze zijn ze niet bestand tegen onze atmosfeer. Ze horen tenslotte in het water thuis. Na 150 jaar verliezen zij hun glans.
Zij moeten bewaard worden in een omgeving die niet te droog en niet te vochtig is, en vooral niet in een zure atmosfeer. Na het dragen moet het halssnoer eventjes
in water gedompeld worden met een beetje alcohol om nadien zachtjes te worden
afgedroogd.
Denk eraan de eerste parel is
voor jou.