ASTACUS FLUVIATILIS: Rivierkreeft
DE NACHTELIJKE ROVER
De rivierkreeft is een zoetwaterkreeft. Zij is van het geslacht Astacus uit de familie van de parastacidae, die op haar beurt lid is van de orde decapoda of tienpotigen uit de klasse
crustacea (kreeftachtigen) van de stam der geleedpotigen of arthropoda.
De mannetjes kunnen een lengte bereiken tot 25 cm, de wijfjes blijven ongeveer 20 cm iets kleiner. Hun kleur kan verschillen naargelang de herkomst en variëren tussen bruinachtig en groen, soms ook gevlekt.
Zij komen het meest voor in kalkrijk water, om zo aan de kalk te komen die zij voor hun pantser nodig hebben. Overdag houden zij zich meestal schuil onder stenen of in holen, maar
's nachts worden zij aktief. Dan gaan zij op jacht naar
kikkers, insectelarven, kleine vissen, slakken en wormen, maar ook kalkhoudende planten, rottend organisch afval en aas zouden op het menu staan.
Het achterlijf is gesegmenteerd en aan elk segment hangt aan weerszijde een aanhangsel. Het laatste deel is voorzien van een waaier van 5 aanhangsels waarmee de kreeft bij gevaar plots achteruit kan schieten. De aanhangsels van het eerste segment van het achterlijf zijn bij de mannetjes voorzien van groeven die gebruikt worden om het sperma naar het wijfje te transporteren. De paring gebeurt in de herfst. Hiervoor draait hij eerst het wijfje op de rug en stort zijn sperma op haar achterlijf, waar het blijft kleven.
Een legsel bevat honderd tot driehonderd eieren die door het vrouwtje, in haar schuilplaats, aan de zwempoten bevestigd worden. Het volgende voorjaar komen meteen miniatuurkreeftjes uit de eieren en geen larven wat voor kreeftachtigen ongewoon is.
De jonge kreeftjes houden zich in hun eerste levensperiode met hun scharen vast aan de zwempoten van het wijfje en laten zich meevoeren. De door de groei noodzakelijke vervellingen vinden bij jonge dieren tot acht maal per jaar plaats. Het vervellen op zich is reeds een merkwaardig gebeuren. Eerst worden de kalkzouten van het oude pantser in het bloed opgenomen.
In de maag worden dan ronde kalkkorrels gevormd, zogenaamde kreeftogen. Het verweekte pantser scheurt daarop en de stukken worden afgestroopt, dit in tegenstelling met een garnaal die in één ruk uit zijn onbeschadigd pantser kruipt. Meestal worden de afgestroopte stukken opgegeten. Na het verwijderen van deze delen wordt een grote hoeveelheid water opgenomen, waardoor het lichaamsvolume drastisch toeneemt. Hierna worden de kalkzouten terug in de bloedbaan gebracht waardoor de opperhuid terug verhardt. Het hele proces duurt een zestal uren, maar de totale uitharding van het pantser neemt enkele dagen in beslag, zolang spreekt men van een " boterkreeft ". Hun kop en borststuk zijn bedekt met een pantser of carapax dat vooraan uitloopt in een puntig uitsteeksel, het rostrum.
Op de kop zitten een paar kleine antennen, die een aantal
zintuigen bevatten, en een paar lange " voelspriet"- antennen.
Verder een paar samengestelde ogen die op steeltjes staan. Het paar scharen vooraan het borststuk zou zelfs in staat zijn om zoetwatermosselen open te wrikken, wat zeker is, is het feit dat er slakken mee gekraakt worden. De vier volgende poten bezitten kleine schaartjes om het voedsel naar de mond te
brengen en de laatste vier poten zijn looppoten.
De mond bezit een paar stevige kaken en twee paar aanhangsels, maxillen, die ook als kaak fungeren. Het tweede paar zorgt tevens voor een constante waterstroom langs de 20 paar kieuwen. De voedselbrokken worden dan via een uit borstels en haren opgebouwd filter naar het maag-darm kanaal geleid.
Spijtig genoeg is deze kreeft een zeldzaamheid in onze wateren. Door de watervervuiling en de grote kreeftenpest-epidemie, rond 1870 veroorzaakt door de bacterie aphanomyces astaci die leidt tot schimmelinfecties, is de Europese rivierkreeft in contreien zo goed als uitgestorven.
Rond 1890 werd daarom de Amerikaanse rivierkreeft Orconecies limosus geïmporteerd. Deze soort, die slechts een tiental
centimeter groot wordt, is immuun voor de kreeftpest.
Zij blijkt ook veel resistenter tegen de alom toenemende
waterpollutie. In tegenstelling met zijn Europese familieleden is hij overdag actief. Een ander onderscheid is de woonplaats van de " Amerikaan ". Hij woont niet in een hol, maar graaft zich in, in de modder.