VOEDSEL IN DE SCHILDERKUNSTPRIVATE

___________________________

 

De geschiedenis, zoals wij haar op school leerden, vormt een merkwaardige selectie van feiten uit het gebeuren van weleer. Vrijwel ieder van ons herinnert zich de vele Dirken uit het Hollandse Huis, hoewel hun macht zich beperkt tot een betrekkelijk klein deel van wat nu Nederland is. In de laatste jaren leert de scholier ook iets van de culturele geschiedenis.

Geertjens tot St.Jans en Rembrandt zijn de Dirken langzaam aan het verdringen. Over de materiële geschiedenis van onze voorouders, hoe zij woonden, hoe zij zich kleedden en vooral hoe zij aten leren wij vrijwel niets. De vermelding van de ontdekking van de haringkaken door Jan Beukelszoon van Bievliet vormt, wat de voedingsgeschiedenis betreft, een eenzame uitzondering. Toch maakt een zekere kennis van de materiële kant van het leven van onze voorouders allerlei zaken veel begrijpelijker. In de laatste tijd is de belangstelling voor dit vergeten stuk van de geschiedenis aan het toenemen. De hoofdbronnen voor de kennis van de voedselgewoonten van onze voorouders zijn opgaven en rekeningen over voedsel uit archieven van vorsten, kloosters, gasthuizen, reders van schepen en ook wel eens een enkele keer van een eenvoudige burger. Voor Nederland komt daar nog een bijzondere bron van de kennis van het dieet van onze voorouders bij, nl. de schilderij. Het stilleven heeft de Noord-Nederlander steeds aangetrokken. Nauwkeurige afbeeldingen van voedsel en vaatwerk komen reeds op 15e eeuwse Nederlandse schilderijen voor. De 16e eeuw herinnert slechts aan de gedekte tafel op het bekende schilderij van Maarten van Heemskerke, voorstellende een gezin aan het ontbijt, nu in het museum te Kassel. De 17e eeuw geeft een overvloed van schilderijen, waarop voedsel staat afgebeeld. Er ontwikkelen zich geheel aparte genres, zoals het monochroom banketje, het visstilleven en het pronkstilleven, waarop vrijwel altijd fruit staat afgebeeld. Daarna droogt het schilderij als bron aan informatie over de voedingsgewoonten van onze voorouders geleidelijk op, hoewel men de ontwikkeling van de gewoonte van koffie en thee te gaan drinken in de overgang van de 17e naar de 18e eeuw er nog goed op kan nagaan. 

In het volgende gedeelte zou ik graag enkele schilderijen wil­len bespreken.

Een heel vroeg voorbeeld van een eenvoudige maaltijd is te zien op dit mooie schilderijtje (37 X 24 cm).

Het stelt de H. Familie bij de maaltijd voor.

Waarschijnlijk is het in Haarlem geschilderd. Sommige kunsthistorici nemen aan, dat het is geschilderd door Mostaert, die van ongeveer 1475 tot 1555 leefde. Het zou een vroeg werk van hem zijn, waarin hij zich nog aansluit bij een andere beroemde Haarlemse meester, Geertgen tot St. Jans. Het werkje zou omstreeks 1500 geschilderd zijn. Misschien is het echter ook wel van de hand van een ander schilder uit de omge­ving van Geerten. Genoemd is de meester van het Brunswijkse diptiek, die men ook wel met Jacob Jansz van Haarlem vereenzelvigt. Als het werk van deze meester was het op de tentoonstelling van Middeleeuwse kunst der Noordelijke Nederlanden in de zomer van 1958 in Amsterdam aanwezig.

Op de met wit leken gedekte tafel staat een sobere maaltijd, pap voor het Christuskind, Jozef snijdt een plak van een donker brood, op tafel twee kleine ronde witte broodjes en een platte ronde kaas, een ronde kluit boter en een appel. Een broodmaaltijd dus, die nauwelijks van de onze afwijkt, alleen ontbreekt begrijpelijkerwijze alle zoetigheden; suiker was nog erg duur en schaars en werd zeker niet voor broodbeleg gebruikt.

Het eetgerei wijkt sterk van het hedendaagse af. Langwerpige plankjes vervangen de hedendaagse borden, het Christuskind speelt met een dergelijk plankje. Van tin zijn de schotels voor brood en boter en het paplepeltje; de papkom is van aardewerk en heeft nog een Middeleeuwse vorm. Een tweede vlakker kommetje heeft geen inhoud en het doel ervan is niet duidelijk. Een aardewerken kan dient om uit te drinken, want glazen en kroegen ontbreken, evenals borden. Op de voorgrond staat een waarschijnlijk houten voorwerpje, waarvan de functie niet duidelijk is. Het lijkt op een hedendaags pepermolentje, maar de aanwezigheid hiervan bij een broodmaaltijd en reeds zo vroeg, lijkt onwaar­schijnlijk.

Ongeveer 80 jaar jonger is het tweede afgebeelde schilderij van een onbekende Nederlander, nu in het Van Abbemuseum in Eindhoven.

Het geeft een veel rijkere gedekte tafel weer.

 

Nu geen eenvoudige broodmaaltijd, doch een met wild en fruit, hoewel het brood niet ontbreekt.

Voor de aardappel in de mode kwam, was brood de basis van vrijwel iedere maaltijd. Op het eveneens witte linnen tafelkleed dit keer spiegelglad gepolijste vierkante tinnen plaatjes, hierop sierlijk gevormde witte broodjes; daarnaast een mes, waaronder een heel groot opgevouwen servet. Het is opvallend hoelang die grote servetten hebben stand gehouden. Ze worden tot de tweede helft van de 19e eeuw gebruikt, dan worden ze geleidelijk kleiner, hoewel de noodzaak om een zo groot servet te gebruiken reeds eerder verdwijnt, nl. als het de gewoonte wordt met vork en mes te eten in plaats van met de vingers; om die weer af te drogen diende het grote servet. Op de tafel zien wij verder kaas en grote tinnen schotels met verschillende soorten groter wild. Verder zijn er druiven en een appel. Op de voorgrond een schotel, waarvan de inhoud niet zeker is. Het kunnen pruimen, maar ook olijven zijn. Merkwaardig is dat olijven, die toch uit Spanje of Italië moesten komen, reeds herhaaldelijk op 16e eeuwse schilderijen worden aangetroffen. Daarnaast op de voorgrond een wit wortelachtig gewas. Men zou het voor pastinaken houden. Pastinaken echter worden gekookt gegeten en aan het loof is te zien, dat deze groente niet

gekookt is. Misschien is het een wortelgewas, dat als de radijs rauw werd gegeten. Verder is een er doorgesneden citroen te zien. De citroen moest uit Zuid Europa worden ingevoerd, was slecht houdbaar en daardoor een kostbare lekkernij. Voor de weinigen binnen wier bereik hij lag, vormde hij een waardevolle uitbreiding van het dieet, gezien de armoede aan vit. C van het voedsel in de tijd voordat groenten en aardappelen een belangrijk deel uitmaakten van het dagelijks menu. Een van de eerste keren, dat een citroen als voedsel in West Europa is vermeld, is bij een diner, gegeven door de gilde van de leerhandelaren ter ere van het huwelijk van Hendrik VIII van Engeland met Anna Boleyn in 1528. Een citroen kost dan ze zilveren pennies.

Een hoog zoutvat ontbreekt op de tafel niet, evenmin als glas­werk. Rechts staat een noppenglas, de voorvader van ons hedendaags bierglas, op de achtergrond een paar kostbare drinkglazen, die misschien nog van Venitiaanse makelij zijn.

Waarschijnlijk echteris, dat ze uit Antwerpen komen, waar men toen in navolging van Venetië dergelijke fraaie glazen ging maken. Verder een aarden en een tinnen kruik. De tinnen kruik zal waarschijnlijk de wijn hebben bevat, die uit de glazen werd gedronken. Opvallend is hoe de vorm van het vaatwerk zich sinds het eerste schilderij heeft ontwikkeld. De Middeleeuwse vormen zijn aan het verdwijnen. Vorken mist men ook nu weer; waarschijnlijk gebruikten men de tinnen plaatjes slechts voor het snijden van het brood. Het stuk wild, dat men voor zich afsneed werd uit de hand gegeten.

Een derde schilderij, waarvan de maker weer wel bekend is

(Cornelis Anthonisz), stelt een Amsterdamse schuttersmaaltijd voor, nl. de zg. Braspenningmaaltijd uit het jaar 1533.

 

 

 

Het is de oudste bekende Amsterdamse schuttersmaaltijd.

Cornelis Anthonisz, die tussen 1530 en 1560 in Amsterdam werkte, was tevens een bekend cartograaf, tekenaar en houtsnijder. De afbeelding geeft slechts een deel van het schilderij om de voorwerpen op de tafel wat beter te doen uitkomen. Ook hier is de tafel met een groot wit tafelkleed gedekt. De ronde plaatjes zijn dit keer waarschijnlijk van hout. Met hun ronde vorm lopen ze op het latere ronde bord vooruit. De messen van de diverse deelnemers aan de maaltijd hebben een verschillende vorm, wat er op wijst, dat ze aan verschillende personen moeten hebben behoord. Vorken en lepels ontbreken weer. Wel zijn er glazen en weer van diverse vorm, links op de voorgrond een noppenglas, zoals dit in Duitsland in die tijd werd gemaakt. Het glas dat een van de schutters links achter vasthoudt, gaat op een

Italaans voorbeeld terug, dat wat rechts voor op tafel staat,

heeft nog een Middeleeuwse vorm. Het lijkt wel een pronkstuk, dat aan het gilde toebehoorde en mee afgebeeld moest worden. De fraaie tinnen kan met een lange tuit, die afgesloten is door een apart dekseltje, zal wel wijn bevat hebben. Rechts achter heeft een der deelnemers een tinnen kannetje in de hand. Het gebaar wijst er op, dat hij er

wil uit drinken.

Merkwaardig zijn de drie glazen bakjes met hoge bodem, die door een der deelnemers iets links van het midden op een rond houten plaatje worden vastgehouden. Ze zijn nl. leeg, misschien hebben ze confituur bevat. Het voedsel op deze tafel is schaars, twee gebraden vogels, waarvan de ene, gezien de lange hals en snavel, waarschijnlijk een reiger is, de andere is waarschijnlijk een gans. Verder op een houten plaatje een haring en iets wat vermoedelijk een stuk citroen verbeeldt.

Veel overvloediger is de volgende schilderij, voorstelling Christus in het huis van Martha en Maria, geschilderd door Pieter Aertsen en gedateerd 27 juli 1553. Men krijgt wel sterk de indruk, dat de schilder het meer om de voorgrond met het stilleven dan om het eigenlijk voor te stellen te doen is.

 

 

Ditmaal geen gedekte tafel doch de ingrediënten voor de maaltijd. Opvallend is de rijkdom aan groenten en fruit. Verwonderlijk is dit niet, want Pieter Aertsen, hoewel uit Amsterdam afkomstig, werkte lange tijd in Antwerpen en de Zuidelijke Nederlanden waren in die tijd voor Europa het centrum van de groenteteelt. Namen als Brussels lof, Brussel sprouts en Waalse bonen herinneren nog aan deze toestand. Wij kunnen door de vruchten en groenten, die op de verschillende schilderijen van Aertsen voorkomen, een aardig idee krijgen van de in die tijd geteelde soorten. Op het hier afgebeelde schilderij zien wij in het midden een grote tinnen schotel met gevogelte klaar voor het spit (een ander methode van braden kende men niet), appels en druiven en een paar merkwaardige kannetjes voor olie of azijn(?), kazen en een kom met melk of pap, een stapel grote servetten en op de voorgrond op een bankje een grote koperen aker met groenten, o.a. wortelen en pastinaken. De aker was bestemd om boven het open vuur te worden gehangen om van deze groenten tezamen met gort, meel en eventueel vlees een dikke pap of soep te koken. Verder zien wij links op de voorgrond bundels van vrij dikke stengels, waarschijnlijk rabarber en kool. Op de schilderijen van Aertsen komen regelmatig rode en witte kool voor. Bij de haard ligt keukengerei, o.a. pollepels.

Hier volgt een lijst van groenten en vruchten die op de schilderijen van Aersten te vinden zijn: augurken, kalebassen (deze werden toen gegeten), druiven, appels, peren, kersen, aardbeien,noten, gedroogde vijgen, perziken, mispels, rode kool, witte kool, bloemkool, prei, knoflook, artisjokken, wortelen en knollen.

Tot besluit is hier een vruchtenstilleven afgebeeld in de vorm van een festoen, geschilderd door A. Mignon 1640- 1679, die uit Frankrijk afkomstige leerling van de veel bekendere stillevenschilder de Heem, die in Utrecht heeft gewerkt.

 

 

 

Wij herkennen hier perziken, abrikozen, druiven, maïs, mispels, bramen, amandelen, kruisbessen en aalbessen. Ik heb dit schilderij aan het einde van dit artikel vermeld, omdat de nieuwe tijd zich hier op twee wijzen doet gelden, in de eerste plaats wel door de aanwezigheid van maïs, een Amerikaans gewas, dat na de ontdekking van Columbus naar Europa kwam en tezamen met de aardappel het dieet in vele landen van Europa geheel heeft gewijzigd en de aanwezigheid van de abrikoos en de amandel.

Ze zijn in die tijd het object van de belangstelling en zorg van de 17e eeuwse buitenplaatsbezitter, die ze evenals de hier niet afgebeelde ananas met veel kosten, zorg, moeite en geduld in kassen en oranjerieën kweekte.

 

naar nic